Chemotherapie

Op deze pagina vindt u algemene achtergrondinformatie over kanker en chemotherapie. U leest over lichaamscellen, wat het verschil is tussen gezonde cellen en kankercellen, welke behandelingen er zijn om de ziekte aan te pakken, hoe chemotherapie werkt, welke resultaten u kunt verwachten en hoe het komt dat de behandeling bijwerkingen kan hebben. De informatie op deze website is kort en algemeen. Hebt u vragen over uw eigen situatie of behandeling, schroom dan niet om die voor te leggen aan het team van artsen en verpleegkundigen dat verantwoordelijk is voor uw behandeling.

Vormen van chemotherapie Bij de behandeling van borstkanker worden verschillende soorten chemotherapie (cytostatica) toegepast. Vaak worden hierbij verschillende medicijnen gecombineerd, dit wordt combinatie chemotherapie genoemd.. Het doel hiervan is om een zo effectief mogelijke behandeling te creëren door gebruik te maken van de verschillende elkaar aanvullende werkingen van de toegepaste middelen. De behandeling wordt meestal gegeven in de vorm van een aantal “kuren”. Hierbij wordt een bepaalde behandeling of combinatie gedurende een bepaalde periode een aantal keren herhaald. Bijvoorbeeld elke 3 of 4 weken. Soms worden bepaalde cytostatica echter ook volgens een wekelijks schema toegepast.

Persoonlijke afweging Als eerste chemotherapeutische behandeling bij uitgezaaide borstkanker valt de keuze meestal op een combinatie van verschillende cytostatica. Wanneer de ziekte later opnieuw actief wordt, is het voordeel van een combinatie van verschillende cytostatica minder duidelijk. Meestal zal het doel van de behandeling zijn om klachten ten gevolge van het ziekteproces te verlichten, of het ontstaan van klachten zo lang mogelijk uit te stellen. Hiervoor zijn verschillende alternatieven en eigenlijk geldt: wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Dan ontstaat er een situatie waarin een persoonlijke afweging nodig is. Wat is het allerbelangrijkst? De grootste kans op werkzaamheid, of de kleinste kans op bijwerkingen? De uitkomst hiervan zal vooral afhangen van iemands persoonlijke levensvisie en de overwegingen waarom zij voor het voortzetten van een palliatieve chemotherapie kiest. In grote lijnen komt het er vaak op neer dat wanneer bijwerkingen zwaar wegen, de keuze eerder zal vallen op een behandeling met één cytostaticum, terwijl voor een zo groot mogelijke kans op een tumorrespons wellicht opnieuw een zwaardere combinatie in aanmerking komt.

Hieronder volgt een overzicht van de meest gebruikte groepen geneesmiddelen.

Groepsindeling cytostatica op basis van de manier van werking:

Alkylerende stoffen: deze stoffen gaan verbindingen aan met eiwitten in de (tumor)cel en veroorzaken dwarsverbindingen tussen DNA strengen waardoor het proces van DNA verdubbeling in de cel wordt verstoord en de (tumor)cel zich niet kan vermeerderen. Een voorbeeld van een medicijn uit deze groep is cyclofosfamide. Cyclofosfamide wordt meestal per infuus toegediend, maar is ook beschikbaar in tabletvorm.

Antimetabolieten: dit zijn imitaties van stofwisselingsproducten waarin echter een kleine verandering is aangebracht waardoor ze de aanmaak of de functie van nieuw DNA en RNA in de cel verstoren. Hierdoor kan de (tumor) cel niet meer delen. Voorbeelden van medicijnen uit deze groep zijn methotrexaat, 5-fluorouracil en gemcitabine (Gemzar®). Deze middelen worden per infuus toegediend. In plaats van 5-fluorouracil wordt tegenwoordig ook wel capecitabine (Xeloda®) toegepast. Dit is een zogenaamd “pro-drug”, dat wil zeggen een nog niet actieve vorm van 5-fluorouracil die na inname door het lichaam na verschillende stappen uiteindelijk door de tumor in de actieve vorm van 5-fluorouracil wordt omgezet. In tegenstelling tot 5-FU wat per infuus wordt toegediend is capecitabine een orale therapie.

Antimitotische cytostatica: deze middelen verschillen van andere cytostatica in de manier waarop ze tumorcellen doden. De meeste cytostatica binden zich aan het erfelijk materiaal van de cel (het DNA), waardoor de celdeling en allerlei andere processen zoals de eiwitaanmaak worden verstoord en de cel doodgaat. Antimitotische middelen gaan de cel anders te lijf, zij verstarren de structuur van de microtubuli. Dit zijn buisvormige structuren in de cel die zich voortdurend aanpassen aan hun functie. Tijdens de celdeling vormen deze microtubuli spoeldraden waarlangs het erfelijk materiaal zich verdeelt over de beide dochtercellen die zijn ontstaan na de deling. Door toedoen van antimitotische middelen loopt dit proces vast en gaat de cel dood. Ook in niet-delende cellen hebben deze middelen invloed: daar verstoren ze de beweeglijkheid en waarschijnlijk ook de transportfuncties. Voorbeelden van medicijnen uit deze groep zijn vinorelbine (Navelbine®) en de taxanen docetaxel (Taxotere®) en paclitaxel (Taxol®). Deze middelen worden per infuus toegediend.

Antitumor antibiotica : Deze stoffen worden geproduceerd door micro-organismen. Door verbindingen aan te gaan met het DNA remmen ze de aanmaak van DNA en RNA in de cel waardoor de cel niet meer kan delen en afsterft. Voorbeelden van medicijnen uit deze groep zijn doxorubicine (Adriamycine®) en epirubicine, ook wel anthracyclines genoemd. Doxorubicine is al in gebruik sinds de jaren zestig. Sinds een aantal jaren is doxorubicine ook verkrijgbaar in liposomale vormen, waarbij de actieve stof is ingekapseld in microscopisch kleine vetbolletjes. Voorbeelden hiervan zijn Myocet® en Caelyx®. Deze middelen worden per infuus toegediend.

Combinaties die veelvuldig worden toegepast bij borstkanker zijn:

AC = doxorubicine + cyclofosfamide

FAC = 5- fluorouracil + doxorubicine + cyclofosfamide

FEC = 5- fluorouracil + epirubicine + cyclofosfamide

TAC = taxane + doxorubicine + cyclofosfamide

CMF = cyclofosfamide + methotrexaat + 5-fluorouracil Toen de antimitotische cytostatica zoals de taxanen in het begin van de negentiger jaren beschikbaar kwamen, werden zij alleen toegepast bij patiënten voor wie geen andere behandelingsmogelijkheden meer bestonden. In die tijd was het gebruikelijk eerst CMF te geven, gevolgd door een doxorubicine-bevattende chemotherapie. Daarna was er in feite geen effectieve behandeling meer voorhanden. In die situatie bleek het soms mogelijk de ziekte opnieuw terug te dringen met bijvoorbeeld taxanen zoals docetaxel en paclitaxel. Door onderzoek in de afgelopen jaren werd aangetoond dat deze middelen ook in eerdere fasen (adjuvant en neoadjuvant) van de behandeling met succes inzetbaar zijn.

 Toedieningsschema

Het is gebruikelijk om cytostatica in zogenaamde kuren om de drie tot vier weken toe te dienen. Een schema dat vooral is gebaseerd op de praktische overweging dat bij de meeste cytostatica de maximale remming van de aanmaak van de witte bloedcellen ongeveer zeven tot tien dagen na de toediening optreedt. Daarna komt de aanmaak van nieuwe witte bloedcellen weer op gang. Het volledig herstel van het beenmerg duurt meestal echter bijna drie weken. Pas recent zijn ook kortere (wekelijkse) intervallen onderzocht. Daarbij is het soms nodig het herstel van de witte bloedlichaampjes te versnellen. Dit gebeurt dan met behulp van beenmerggroeifactoren.

Vraag uw behandelend arts of oncologieverpleegkundige naar uw behandelschema. Denk hierbij aan zaken als: voor welk middel of combinatie wordt gekozen, wat is de reden van deze keuze, wat zijn de te verwachten bijwerkingen, is de therapie in tabletvorm of per infuus. Indien de medicatie per infuus wordt toegediend: hoe lang is de duur van de verschillende infusen, hoe frequent moet u komen voor een infuus en wat is de inschatting van het aantal kuren waarmee u behandeld zult worden.

De behandeling die de arts adviseert, is allereerst afhankelijk van de eigenschappen van de tumor, maar bijvoorbeeld ook van de leeftijd en de lichamelijke conditie van de patiënt. Hiervoor bestaan landelijke richtlijnen die regelmatig worden aangepast op basis van de nieuwste inzichten. Het kan voorkomen dat u of uw arts het idee heeft dat de belasting of de gevolgen van een behandeling in uw specifieke geval niet (meer) opwegen tegen de te verwachten betere kans op overleving of kwaliteit van leven. Heeft u twijfels over het nut van (verdere) behandeling, bespreek dit dan met uw behandelaar. U heeft altijd het recht om te kiezen voor een bepaalde behandeling, of om af te zien van behandeling.

Over Kanker

Uw lichaam is opgebouwd uit miljarden cellen, in allerlei soorten en maten. Zo zien spiercellen er heel anders uit dan de cellen waar de huid uit bestaat. Organen als de lever of de nieren bevatten gespecialiseerde cellen die er voor zorgen dat die organen hun werk doen. Ook in uw bloed zweven grote hoeveelheden cellen: de zogenoemde bloedlichaampjes. Rode bloedlichaampjes (erytrocyten) zorgen voor het de aanvoer van zuurstof, bijvoorbeeld naar de spieren. Witte bloedlichaampjes (leukocyten en lymfocyten) bestrijden allerlei indringers, zoals bacteriën. Bloedplaatjes (trombocyten) zorgen ervoor dat uw bloed kan stollen.

In principe kunnen alle lichaamscellen zich delen. Daardoor kunnen wonden snel genezen, worden versleten cellen in uw lichaam vervangen, groeien uw spieren als u ze traint, worden er voortdurend nieuwe bloedlichaampjes aangemaakt en groeit uw haar.

Kankercellen ontstaan uit gewone lichaamscellen. Maar bij kankercellen is er iets misgegaan met het erfelijk materiaal in de kern van de cel. Daardoor gaat die cel zich onnodig en onbeheerst delen. De fout in het erfelijk materiaal wordt daarbij gekopieerd naar alle volgende cellen. Eén kankercel worden er zo twee, daarna vier, vervolgens acht, zestien, tweeëndertig, enzovoorts. Op die manier kan een tumor ontstaan, een gezwel dat steeds harder groeit. Ook de aanmaak van bloedlichaampjes kan verstoord raken, bijvoorbeeld doordat er grote hoeveelheden overtollige en nutteloze bloedlichaampjes gevormd worden.

Kwaadaardige tumoren groeien op den duur door in het omliggende weefsel. Soms breken er cellen van het gezwel af, die meedrijven in de bloedbaan of in de lymfevaten. Die losgeraakte cellen (micrometastasen) stelen zich soms verderop in het lichaam, waar ze uitgroeien tot nieuwe tumoren, zogenoemde uitzaaiingen metastasen.

 

Verschillende behandelingen

Zodra de diagnose is gesteld, stelt uw arts een behandelplan op. Dat plan past zo goed mogelijk bij uw situatie. Welk behandelplan het beste is, hangt af van de soort kanker die u hebt, hoe ver de ziekte zich al verbreid heeft en met uw lichamelijke en psychische conditie. Uiteraard speelt ook de visie en de ervaring van uw behandelend arts een rol. In grote lijnen kan de arts kiezen uit drie verschillende behandelwijzen:

Bij chirurgie wordt de tumor tijdens een operatie geheel of grotendeels verwijderd. Over het algemeen wordt daarbij ook een laagje van het omliggende weefsel weggehaald, om eventuele kankercellen die zich hier genesteld hebben, geen kans te geven. Ook kunnen een aantal lymfeklieren in de buurt van de tumor verwijderd worden. Uitzaaiingen van de kanker nestelen zich namelijk vaak het eerst in die klieren.

Bij radiotherapie wordt de tumor bestraald waardoor de kankercellen afsterven. De straling wordt zo veel mogelijk op de tumor zelf gericht, maar het is daarbij niet te vermijden dat ook gezond weefsel in de omgeving schade oploopt. De schade aan gezond weefsel wordt echter zo veel mogelijk beperkt.

Bij chemotherapie krijgt u een behandeling met medicijnen, waardoor de tumorcellen doodgaan of zich niet meer kunnen vermenigvuldigen. Uiteraard zijn ook combinaties van verschillende behandelingswijzen mogelijk. Chemotherapie wordt in de praktijk vaak gecombineerd met chirurgie of radiotherapie. Deze website gaat verder alleen over chemotherapie.


Het doel van de behandeling

Uw arts vertelt u nadrukkelijk wat het doel is van de behandeling, zodat u weet welke resultaten u kunt verwachten. In grote lijnen kan de behandeling drie doelen dienen.

1. De ziekte genezen
Sommige vormen van kanker kunnen door chirurgie, radiotherapie, chemotherapie of een combinatie van deze behandelingen volledig verdwijnen. De behandeling heet dan curatief. Vaak is de kans op genezing groot, maar de behandeling zelf zwaar.

2. De kans verkleinen dat de ziekte terugkomt
Een aantal vormen van kanker is goed te behandelen met een operatie of met bestraling. Toch zijn die behandelingen alleen niet altijd afdoende. Er kunnen bijvoorbeeld nog micrometastasen in uw bloed of lymfevocht zijn achtergebleven. Die moeten opgeruimd worden om te voorkomen dat de kanker op andere plaatsen terugkomt, als uitzaaiingen. Chemotherapie in combinatie met een operatie of bestraling heet aanvullend (adjuvant).
Aanvullende chemotherapie wordt soms al vóór een operatie of bestraling gegeven, in plaats van erna. Dat heeft als voordeel dat de tumor meestal kleiner wordt door de chemotherapie en daardoor gemakkelijker ter plaatse kan worden aangepakt. De behandeling heet dan neo-adjuvant

3. De gevolgen van de ziekte verzachten
Soms is een volledige genezing van de kanker niet mogelijk, maar is de ziekte wel te bestrijden. De gevolgen blijven daardoor soms jarenlang binnen de perken. Daardoor hebt u een beter leven. Als de chemotherapie voor dit doel gegeven wordt, heet de behandeling verzachtend (palliatief). Het doel van palliatieve chemotherapie is niet alleen dat u mogelijk langer blijft leven, maar vooral dat u minder klachten en problemen hebt door uw ziekte. Maar dan moet de chemotherapie zelf wel te verdragen zijn, anders is het middel erger dan de kwaal.

 

Zo werkt chemotherapie

Chemotherapie is een manier om kankercellen te doden of er voor te zorgen dat ze zich niet meer kunnen delen. Dat gebeurt met chemische stoffen, de zogenoemde cytostatica. Chemotherapie bestaat bijna zestig jaar. De eerste cytostatica zijn in 1945 bij toeval ontdekt. Sindsdien zijn er steeds meer en steeds effectievere medicamenten ontwikkeld. In Nederland zijn inmiddels tientallen verschillende cytostatica beschikbaar. Afhankelijk van de soort kanker krijgt u één of meerdere middelen. Verschillende soorten kanker zijn namelijk meer of minder gevoelig voor verschillende cytostatica. Artsen zoeken naar de combinatie die het meest effectief is tegen de ziekte en die zo min mogelijk bijwerkingen heeft. Ook proberen ze zoveel mogelijk te voorkomen dat kankercellen bestand resistent raken tegen de chemotherapie.

Elke chemotherapie is een behandeling op maat. De arts kan kiezen uit een groot aantal middelen, uiteenlopende doseringen aanhouden en het middel op verschillende manieren laten toedienen. Het is onmogelijk om op deze website informatie te geven over alle individuele behandelingsmogelijkheden. Wilt u meer weten over de specifieke behandeling die u krijgt, bespreek dit dan met uw arts of uw oncologieverpleegkundige.

 

Waarom chemotherapie bijwerkingen heeft

Cytostatica tasten niet alleen kankercellen aan, ze kunnen ook gezonde lichaamscellen beschadigen. Sommige gezonde lichaamscellen zijn daar gevoeliger voor dan andere. Vooral lichaamscellen die zich wat sneller moeten delen om hun functie goed te kunnen vervullen. Dat zijn bijvoorbeeld de beenmergcellen die voortdurend nieuwe bloedlichaampjes aanmaken of de cellen in de haarzakjes die zorgen dat uw haar groeit. Chemotherapie veroorzaakt met name bijwerkingen bij deze sneldelende lichaamscellen.

Een andere bijwerking is de manier waarop uw lichaam reageert op het binnendringen van ongewenste stoffen. Die komen meestal uw lichaam binnen doordat u iets eet of drinkt dat giftig of bedorven is. Het lichaam probeert de schade te beperken door te braken. Uw lichaam herkent de cytostatica als giftig. Misselijkheid en braken zijn daarom een begrijpelijke en natuurlijke reactie van het lichaam op chemotherapie.

Sommige cytostatica hebben minder bijwerkingen dan andere. Ook is het effect per persoon verschillend. Sommige mensen hebben bijvoorbeeld veel last van misselijkheid en braken, terwijl anderen nauwelijks iets merken. Bovendien zijn er voor veel bijwerkingen goede medicijnen voorhanden. Overigens zegt de ernst van de bijwerkingen helemaal niets over de werkzaamheid van de therapie.

 

Meedoen met experimentele behandelingen

Het onderzoek naar de mogelijke behandeling van kanker gaat door. Er is medisch-wetenschappelijk onderzoek nodig om nieuwe cytostatica of combinaties van bestaande middelen te testen. Ook in de praktijk. Ook met mensen. In feite gaat het om experimentele behandelingen. Die worden meestal niet standaard aangeboden. Veel mensen vinden zelf informatie over deze behandelingen, bijvoorbeeld op internet, op de pagina’s over gezondheid en wetenschap in dagbladen en tijdschriften of door informatie van vrienden en bekenden.

Mogelijk komt u voor zo’n experimentele behandeling in aanmerking. Dat wil overigens niet zeggen dat artsen zomaar iets uitproberen. De middelen die u krijgt hebben meestal al wel bewezen dat ze iets doen, bijvoorbeeld in dierproeven. Maar er moet nog uitgezocht worden of de nieuwe middelen ook goed werken bij mensen, of ze inderdaad beter werken dan de bestaande medicijnen, welke dosis het meest effectief is en hoe het zit met de bijwerkingen. Als u kunt deelnemen aan zo’n experimentele behandeling, dan wordt u tevoren goed ge ïnformeerd over wat er precies gaat gebeuren en welke mogelijke risico’s aan de behandeling kleven. Vervolgens krijgt u genoeg tijd om te beslissen of u mee wilt doen. Als deelnemer aan medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen hebt u bovendien te allen tijde het recht om tussentijds met de behandeling te stoppen, zelfs zonder opgave van redenen.

Het doel van een experimentele behandeling is in de eerste plaats: wetenschappelijk onderzoek naar de bestrijding van kanker. Soms leidt dat tot teleurstellingen, bijvoorbeeld doordat het nieuwe middel toch niet blijkt te werken. Ook kunt u geweigerd worden voor een behandeling, omdat u niet aan de voorwaarden voldoet. Soms wordt er geloot om te bepalen wie het nieuwe medicijn krijgt en wie in een controlegroep terecht komt.

 

U beslist zelf

De behandeling die u moet ondergaan kan zeer ingrijpend voor u zijn. Soms moet u flink doorzetten om bijvoorbeeld de chemotherapie te volbrengen. Het kost tijd om er van te herstellen. De behandeling kan ook schadelijk zijn voor de vruchtbaarheid. Kortom, er kan een behoorlijke aanslag op uw lichaam worden gedaan, op uw persoon en op uw omgeving. Daarom is het een kwestie van wikken en wegen welke behandeling het beste bij u past. De medische argumenten voor of tegen een behandeling krijgt u te horen van uw arts of uw oncologieverpleegkundige. Maar uw eigen, persoonlijke argumenten kunt u alleen zelf overzien, samen met de mensen die u na staan. Soms moet u snel beslissen. Vooral als de ziekte acuut behandeld moet worden. Maar meestal hebt u iets meer tijd om na te denken, de voor- en nadelen voor uzelf op een rijtje te zetten en er uitgebreid met uw partner, familie of vrienden over te praten. Zo nodig kunt u ook een advies of oordeel second opinion vragen aan een andere arts.

 

Persoonlijke instructie

Hebt u eenmaal besloten om akkoord te gaan met de behandeling, dan krijgt u uitgebreide, persoonlijke instructies, bijvoorbeeld van een oncologieverpleegkundige. U hoort ook hoe u goed voor uzelf kunt zorgen tijdens de behandeling, wat u kunt doen om de bijwerkingen te beperken, waar u op moet letten, in welke situaties u contact moet opnemen met het ziekenhuis en wie u daar op welk telefoonnummer snel kunt bereiken. Deze persoonlijke instructie is erg belangrijk. Hebt u vragen over de behandeling, stel ze zonder schroom aan de arts of de verpleegkundige. Zij geven u graag de nodige informatie, onder het motto: liever tien vragen teveel, dan één vraag te weinig.

 

Tijdens de chemoterapie

Alle voorbereidingen voor de chemotherapie zijn getroffen. De behandeling kan beginnen. Tijdens de behandeling kunt u een aantal dingen doen om zo goed mogelijk voor uzelf te zorgen, samen met het behandelteam en met de mensen om u heen.

 

Zo ziet de behandeling er uit

Chemotherapie kan poliklinisch gegeven worden, tijdens een ziekenhuisopname of thuis. Soms is een tussenvorm mogelijk. De chemotherapie wordt dan in de polikliniek van het ziekenhuis aan- en afgekoppeld, maar tussendoor kunt u naar huis.

 

Opname in het ziekenhuis

Sommige behandelingen met chemotherapie kunnen alleen gegeven worden als u tijdens de hele duur van de behandeling in het ziekenhuis blijft. Bijvoorbeeld bij intensieve behandelingen, waarbij u permanent onder medische controle moet blijven. Ook kan het zijn dat het behandelteam het raadzamer vindt om u op te nemen, bijvoorbeeld vanwege uw lichamelijke conditie of door persoonlijke omstandigheden.

 

In de polikliniek

De meeste behandelingen met chemotherapie worden poliklinisch gegeven. Na elke toediening gaat u weer naar huis. Meestal krijgt u de cytostatica toegediend via een infuus. Zo komen de medicijnen rechtstreeks in uw bloedbaan terecht en kunnen ze alle delen van uw lichaam bereiken. Een toediening kan enkele minuten duren, maar ook een kwartier, een uur of zelfs enkele uren. Het ziekenhuis beschikt over speciale kamers voor de toediening van chemotherapie. Die kamers zijn vaak voorzien van gemakkelijke stoelen en comfortabele ligbanken. U kunt tijdens de toediening met een koptelefoon naar muziek luisteren, iets lezen of naar de televisie kijken.

Op de polikliniek komt u in contact met andere patiënten. Zeker in het begin kan dat confronterend zijn. Mensen kunnen er ziek uitzien, hun haar kwijt zijn of misselijk zijn en braken tijdens de kuren. Op den duur ontstaat er vaak een sterk gevoel van saamhorigheid.

Tegenwoordig komen sufheid of slaperigheid na toediening van de chemotherapie minder vaak voor. Toch kunt u zich na afloop van de toediening niet lekker voelen. Het kan dan verstandig zijn dat iemand u haalt en brengt. Eventueel kunt u een taxi nemen. De kosten hiervan worden vergoed door uw zorgverzekeraar, zodra u meer kosten maakt dan het drempelbedrag van € 93 per twaalf maanden (prijspeil 2012).

 

Thuis

Soms worden de cytostatica toegediend via een infuuspoort, een kunstmatige ingang naar een ader. Dat wordt gedaan in twee situaties: (1) als het moeilijk blijkt om telkens voor elke toediening een ader in de arm aan te prikken en (2) om een toediening die lang duurt (24 uur of langer) toch poliklinisch te kunnen geven, zodat u niet telkens voor elke toediening in het ziekenhuis opgenomen hoeft te worden. De infuuspoort wordt voor de duur van de behandeling onder de huid aangebracht, meestal net onder het sleutelbeen. De poort zit goed dicht met een speciale sluiting. Onder die sluiting zit een membraan, waar de verpleegkundige gemakkelijk doorheen kan prikken om het infuus in te brengen. Dat infuus is gekoppeld aan een speciale cassette. In die cassette zitten, veilig opgeborgen, de cytostatica. De cassette is ongeveer zo groot als een walkman en u draagt hem meestal aan een band om uw middel. Een speciaal pompje zorgt ervoor dat precies de goede hoeveelheid cytostatica in uw bloed terecht komt. Het aan- en afkoppelen van de cassette met de cytostatica aan de infuuspoort gebeurt over het algemeen in het ziekenhuis. Daarna kunt u naar huis. Dat is vooral prettig als de toedieningen lang duren. Het infuus met de cytostatica loopt dan gewoon door terwijl u uw dagelijkse dingen doet. U krijgt vooraf uitgebreide veiligheidsinstructie voor het geval er iets mis mocht gaan.

Sommige behandelingen worden helemaal thuis gegeven. Meestal gaat het om tabletten die u op de voorgeschreven tijden heel moet doorslikken.

 

Om zelf op te letten

Zorg goed voor uzelf tijdens de behandeling. Daarbij kunt u op een aantal zaken letten. Hieronder staan alleen een aantal korte aandachtspunten. Uitgebreide informatie bij elk aandachtspunt staat telkens op de bijbehorende pagina over bijwerkingen van chemotherapie.

Zorg dat u blijft eten, zo nodig met kleine beetjes tussendoor. Tijdens de behandeling is het belangrijk dat u voldoende voedingsstoffen binnenkrijgt.

Zorg dat u voldoende drinkt en dus voldoende plast. Anderhalf tot twee liter vocht per dag is de aanbevolen hoeveelheid. Drink wat u lekker vindt, maar wees voorzichtig met alcohol.

Braken is soms onvermijdelijk. Let er op dat u niet teveel vocht verliest. Blijft u langer dan twee dagen (48 uur) braken, waarschuw dan uw arts.

 

Chemotherapie kan leiden tot diarree of juist verstopping. Blijf daarom voldoende drinken, eet vezelrijk en zorg zo mogelijk voor voldoende lichaamsbeweging. Bij ernstige problemen kunt u via de arts medicijnen krijgen tegen diarree of verstopping.

Vooral uw mond en tanden kunnen tijdens de chemotherapie extra aandacht gebruiken. Krijgt u last van kleine ontstekingen of blaasjes in de mond, neem dan contact op met uw arts. .

Chemotherapie kan uw huid kwetsbaar maken. Uw huid droogt snel uit en is gevoeliger voor zonlicht. Houd daar rekening mee.

Zo’n twee tot drie weken na het begin van de behandeling kan uw haar gaan uitvallen. Er is weinig tegen te doen, behalve camoufleren. Bijvoorbeeld door een mooie pruik te dragen, een modieuze muts of een sportief petje. Na afloop van de behandeling groeit uw haar weer aan.

Tijdens de chemotherapie kunnen uw lichaamsvochten enigszins giftig zijn. Houd daar rekening mee, ook als huisgenoot van iemand die met chemotherapie behandeld wordt. Wees voorzichtig met urine en ontlasting. Hebt u twee toiletten, reserveer dan tijdens de behandeling één toilet voor uzelf en het andere voor de rest van het gezin. Plas zittend en trek twee keer door. Was uw handen na afloop grondig. Wees voorzichtig met het opruimen van braaksel. Doe dat zo nodig met plastic handschoenen aan.

Veel mensen hebben tijdens de behandeling minder zin om te vrijen. Maar u kunt wel meer behoefte hebben aan intimiteit door te knuffelen of tegen elkaar aan te liggen. Praat hier open over met uw partner. .

Zaadcellen en eicellen zijn gevoelig voor de inwerking van cytostatica. U kunt daarom beter niet zwanger worden tijdens de behandeling of in de weken erna.

Door de chemotherapie worden er tijdelijk veel minder witte bloedlichaampjes en bloedplaatjes aangemaakt. Het effect daarvan is het sterkst zo’n 7 tot 10 dagen na elke toediening. Dan is het aantal bloedlichaampjes het kleinst en komt u in een zogenoemde ‘dip’. Vooral in die periode hebt u erg weinig weerstand en bent u kwetsbaar.

Chemotherapie vermindert de aanmaak van rode bloedlichaampjes. Daardoor kunt u moe en futloos worden. Hebt u veel te weinig rode bloedlichaampjes, dan kan er een tekort aan zuurstof in uw lichaam ontstaan. U kunt daardoor duizelig worden, bleek zien, nauwelijks lucht krijgen en u plotseling erg moe voelen. Waarschuw in dat geval uw arts. Soms kunt u behandeld worden met medicijnen. In het uiterste geval krijgt u een bloedtransfusie om het aantal rode bloedlichaampjes snel weer op peil te brengen.

Zorg niet alleen zo goed mogelijk voor uw lichaam, maar ook voor uzelf als persoon. Blijf in contact met de mensen in uw omgeving. Daardoor staat u sterker.

 

 

Tussentijdse medische controle

Soms wordt al tijdens de chemotherapie bekeken of de behandeling effect heeft. Meestal gebeurt dit door het maken van CT-scans of andere röntgenfoto’s, soms is bloedonderzoek nodig. U krijgt van de arts te horen wat de resultaten zijn van deze controles. Het beste bericht is dat er vooruitgang zit in de bestrijding van de ziekte. De ziekte kan ook tot stilstand zijn gebracht of minder snel voortschrijden. Maar er kan ook uit de controle blijken dat de behandeling niet aanslaat. In dat geval zal de arts met u bespreken dat het geen zin heeft om met deze behandeling door te gaan en zo mogelijk een alternatieve behandeling voorstellen.

 

Checklist
Eet u voldoende? Vraag zo nodig om advies van een diëtist. U kunt een doorverwijzing krijgen via de oncologieverpleegkundige.

Drink u voldoende? Anderhalf tot twee liter vocht per dag is het minimum.

Blijft u langer dan twee dagen (48 uur) overgeven, hebt u langer dan twee dagen (48 uur) diarree of kunt u langer dan vier dagen niet naar het toilet vanwege verstopping? Neem in al deze gevallen contact op met uw arts.

Krijgt u problemen met de mond? zoals blaasjes of ontstekingen? Neem contact op met uw arts.

Krijgt u plotseling hevige huiduitslag?  tijdens of kort na de toediening van de cytostatica? Neem contact op met uw arts.

Hebt u een wondje of een bloedneus die langer dan een half uur blijven bloeden? Is uw menstruatie veel heviger dan normaal? Krijgt u blauwe plekken zonder dat u bent gevallen en zonder dat u zich hebt gestoten? Krijgt u koorts (meer dan 38° C), koude rillingen of pijn bij het plassen? Neem in al deze gevallen contact op met uw arts. Let hier vooral op 7 tot 10 dagen na de toediening van de cytostatica.

Wordt u al snel na het begin van de behandeling steeds vermoeider en futlozer, of wordt u erg moe en daarnaast ook nog bleek, kortademig en duizelig, meld dit aan uw arts. Er kan sprake zijn van een (sluipende) achteruitgang van uw rode bloedlichaampjes, waar mogelijk iets tegen te doen is.

De chemotherapie is afgerond. De resultaten zijn bekend. U kunt een aantal dingen doen om u in te stellen op de situatie na de behandeling. Samen met de mensen die u dierbaar zijn en zo nodig met de steun van dienstverleners of lotgenoten.

 

Bijwerkingen

Bij chemotherapie krijgt u krachtige medicijnen toegediend. Die zijn nodig om de ziekte effectief te bestrijden. Helaas kunnen ze ook gezonde lichaamscellen beschadigen. Ze leiden bovendien vaak tot vermoeidheid, misselijkheid, braken en tegenzin om te eten. Chemotherapie vraagt daardoor veel van uw lichaam. U kunt het nodige doen om de therapie goed te doorstaan, samen met uw behandelaars en met steun van de mensen om u heen.

Misselijkheid tegengaan

Uw lichaam beschikt over een krachtige afweer tegen vergiftiging. Als u ‘iets verkeerds’ eet of drinkt, komen er gifstoffen via uw maag in uw bloedbaan terecht. Een gebied in uw hersenen – het zogenoemde braakcentrum – wordt geprikkeld en daardoor wordt u acuut misselijk en krijgt u de neiging om te braken. Misselijkheid, braken en tegenzin tegen voedsel zijn in dat geval natuurlijke, beschermende reacties. Het zijn bovendien reflexen die u zelf niet of nauwelijks kunt sturen.

Uw lichaam herkent de cytostatica die bij chemotherapie gebruikt worden als gifstoffen. Daardoor leidt chemotherapie vaak tot misselijkheid en braken. U kunt te maken krijgen met drie vormen van misselijkheid.

1. Acute misselijkheid
Deze misselijkheid treedt op tijdens de toediening van de cytostatica. Zolang de medicijnen in uw bloed aanwezig zijn, kunt u daar misselijk van worden. Meestal is dat tot een dag na de toediening.

Acute misselijkheid is goed te bestrijden met medicijnen. Deze zogenoemde anti-emetica zorgen ervoor dat de reflexen die de misselijkheid veroorzaken, tijdelijk worden uitgeschakeld. Medicijnen tegen misselijkheid en braken kunnen met het infuus meelopen, maar u kunt ze ook krijgen in de vorm van tabletten of zetpillen. Sinds de ontdekking van deze medicijnen kunnen de meeste mensen de chemotherapie goed verdragen. Daardoor kan de dosis van de chemotherapie vaak zelfs verhoogd worden, zodat de behandeling meer effect heeft.

Krijgt u aandrang om te braken, dan kan het helpen om even goed rechtop te gaan zitten en rustig door te ademen. Ook kan het helpen om op een ijsblokje te zuigen.

Moet u toch braken, let dan op dat u niet teveel vocht verliest. Drink tussendoor bijvoorbeeld water.

2. Vertraagde misselijkheid
Sommige cytostatica veroorzaken niet alleen acute misselijkheid, maar ook vertraagde misselijkheid, twee dagen tot een week na de toediening. De oorzaak hiervan is nog niet opgehelderd. Anti-emetica werken ook tegen vertraagde misselijkheid, maar minder goed dan tegen acute misselijkheid.

3. Anticipatoire misselijkheid
Uw lichaam leert snel. Hebt u eenmaal ergens uw hoofd gestoten of uw vingers gebrand, dan vermijdt u die plekken meestal onbewust. Ongeveer hetzelfde gebeurt met misselijkheid en braken als gevolg van een vergiftiging. De volgende keer dat u in dezelfde situatie terecht komt, vertoont uw lichaam al bij voorbaat een afweerreactie. Onder normale omstandigheden is dit een erg nuttige reactie. Maar bij chemotherapie kan het een lastig effect zijn. Sommige mensen worden al misselijk als ze een vleugje ziekenhuislucht ruiken of zelfs alleen maar aan het ziekenhuis denken. Dit verschijnsel heet anticipatoire misselijkheid. Gebeurt dit al tijdens de chemotherapie, dan kan de gang naar het ziekenhuis erg moeizaam worden.

Medicijnen helpen niet tegen anticipatoire misselijkheid en braken. Ontspanningsoefeningen en psychotherapie helpen vaak wel.

Het is vooral zaak om anticipatoire misselijkheid voor te zijn, te zorgen dat het niet ontstaat. De beste methode daarvoor is acute misselijkheid tijdens de toedieningen zelf zoveel mogelijk te vermijden. Daarom is het meestal verstandig om anti-emetica te gebruiken tijdens de chemotherapie.

Goed blijven eten

Tijdens de chemotherapie kan uw smaak veranderen. Dingen die u lekker vond, kunnen ineens een beetje naar karton of metaal smaken. Sommige mensen hebben last van een vage, bittere smaak in hun mond. Ook kunt u tijdens de behandeling steeds een beetje vaag misselijk blijven. Daarbij komt dat chemotherapie uw slijmvliezen kan aantasten, ook in uw mond, keel, maag en darmen. Daardoor kunt u maagklachten krijgen en diarree of verstopping. Al die dingen bij elkaar kunnen er voor zorgen dat u tijdens de behandeling nauwelijks zin hebt om te eten. Toch is het belangrijk om tijdens de behandeling zo goed mogelijk in conditie te blijven. Goed eten hoort daar bij.

Zorg dat u genoeg voedingsstoffen binnenkrijgt. Probeer per dag tenminste 3 sneden brood met boter of margarine en beleg te eten. Kies als beleg ook kaas en vleeswaren. Drink een paar glazen melk of melkproducten. Eet daarnaast bij de warme maaltijd tenminste 3 aardappeltjes, 100 gram vlees, vis of peulvruchten en drie opscheplepels groente. Ga rechtop zitten om te eten en neem er de tijd voor.

Hebt u last van etensgeuren, laat dan iemand anders koken en maak zelf ondertussen een ommetje. Kies voor voedsel dat minder sterk ruikt. Dus even geen spruitjes en boerenkool, maar bijvoorbeeld een maaltijdsalade.

Vermijd te kruidige of te hete maaltijden. Hebt u een pijnlijke mond, eet dan zo nodig vloeibare of gepureerde maaltijden.

Dwing uzelf niet om te eten als het echt niet gaat. Eten moet geen obsessie worden.

Als u minder zin hebt in eten maar wel zin in een tussendoortje, doe dat dan gewoon. Vet en zoet eten is in deze tijd niet verboden, integendeel. U hebt in deze tijd extra energie nodig, dus vet en suiker zijn juist prima. Het is bovendien belangrijk dat u gewoon eet waar u zin in hebt.

Schroom niet om eventuele problemen met eten aan te kaarten bij het behandelteam. Zij kunnen u zo nodig doorverwijzen naar een diëtist.

Bij de Nederlandse Kankerbestrijding KWF kunt u ook meer informatie over ‘Voeding bij kanker’ verkrijgen.

Voldoende drinken

Tijdens de chemotherapie komen krachtige medicamenten uw lichaam binnen. Die moeten er ook weer uit. Bovendien moeten ook alle dode kankercellen weggewerkt worden. Daar zorgen de nieren voor. In de nieren worden afvalstoffen uit uw lichaam gemengd met vocht tot urine. Die urine wordt afgevoerd naar uw blaas. Uw nieren en uw urinewegen worden tijdens de chemotherapie dus flink aan het werk gezet. Daarom is het nuttig om veel te drinken tijdens de chemotherapie. Begin hier tijdig mee, dus al ruim voor de chemotherapie van start gaat.

Drink ten minste twee liter per dag. Bij voorkeur water, maar thee, vruchtensap of melk is ook prima. Veel alcohol drinken tijdens de behandeling is af te raden.

 

Vermoeidheid onder controle

Chemotherapie tast kankercellen aan. Maar ook sommige gewone, gezonde lichaamscellen kunnen schade oplopen. Daardoor kunt u moe worden van chemotherapie. Ook andere bijwerkingen van chemotherapie kunnen uw energiebalans verstoren. Vaak was u door de ziekte zelf al moe. Bovendien is kanker een ziekte die emotioneel veel kan vergen van u en van de mensen om u heen. Hoe meer energie u overhoudt, hoe beter u de behandeling kunt verdragen. Daarom is het belangrijk om zo goed mogelijk in conditie te blijven. Daar kunt u zelf aan bijdragen.

Bouw rust en regelmaat in uw leven in. Probeer zo mogelijk ’s ochtends op tijd op te staan en ga zo nodig ’s middags weer even liggen. Hebt u moeite om de dagen door te komen, maak dan tevoren een duidelijke, overzichtelijke dagindeling. Stel prioriteiten. Doe alleen wat u echt belangrijk vindt. Durf ‘nee’ te zeggen. Zorg voor voldoende afleiding en ontspanning.

Blijf niet alleen. Organiseer steun in uw omgeving. Praat over de behandeling en de gevolgen ervan met uw partner, uw familie, uw vrienden of neem contact op meteen patiëntenvereniging

Neem uw klachten serieus. Probeer niet in stilte door te bijten als u klachten krijgt, maar bespreek ze met uw behandelaars en zoek samen met hen naar oplossingen. Houd zo nodig een dagboekje bij, waarin u opschrijft wat u meemaakt, wat u doet, hoe u zich daar bij voelt. Bent u geen groot schrijver, maak dan korte aantekeningen. Dat geeft u houvast, voor uzelf, in gesprekken met de mensen om u heen, maar ook in het contact met uw behandelaars.

 

Bijwerking in het bloed

Wanneer het aantal leukocyten beneden een bepaald minimum daalt, wordt de behandeling onderbroken tot het lichaam weer voldoende witte bloedcellen heeft aangemaakt. Hiervoor worden ook vaak groeifactoren gegeven zoals bijvoorbeeld filgrastim of lenograstim die de aanmaak van witte bloedcellen stimuleren en daardoor de bijwerkingen van cytostatica op het beenmerg enigszins kunnen afzwakken. Daling van de bloedplaatjes (thrombocyten) Ook de productie van trombocyten in het beenmerg kan verminderen onder invloed van cytostatica. De trombocyten spelen een belangrijke rol bij de bloedstolling. Wanneer er te weinig in het bloed aanwezig zijn, kan dit tot gevaarlijke bloedingen leiden, die al door kleine verwondingen kunnen worden veroorzaakt. Het is daarom van groot belang om voorzichtig te zijn en de volgende voorzorgsmaatregelen in acht te nemen: Wees zeer voorzichtig bij gebruik van scheermessen, gewone messen en andere scherpe of puntige voorwerpen. Gebruik bij sterke tandvleesbloedingen wattenstokjes om de tanden te reinigen. Vermijd sporten waarbij gemakkelijk verwondingen of botsingen (inwendige bloedingen) kunnen optreden Gebruik geen medicijnen die de bloedstolling kunnen remmen, zoals aspirine (acetylsalicylzuur) Beperk de alcoholconsumptie zoveel mogelijk Mocht er toch een keer een verwonding ontstaan, bind dan de wond met een schone doek af en ga direct naar een arts of eerstehulppost.

Daling van de rode bloedcellen (erythrocyten) Tengevolge van bloedarmoede kunnen ernstige vermoeidheid, concentratiestoornissen en verminderd libido optreden. Dit is vaak een direct gevolg van een tekort aan erythrocyten. Bloedarmoede is –afhankelijk van de oorzaak- zo nodig goed te behandelen met ijzer, foliumzuur, erytropoëtine of een bloedtransfusie. Bespreek daarom uw klachten altijd met uw arts.
 Bijwerking in het bloed

In het beenmerg worden voortdurend nieuwe bloedlichaampjes aangemaakt. Rode bloedlichaampjes zorgen voor het vervoer van zuurstof door uw lichaam. Witte bloedlichaampjes bestrijden allerlei ziektekiemen. Bloedplaatjes zorgen dat uw bloed kan stollen. Chemotherapie verstoort de aanmaak van nieuwe bloedlichaampjes. Artsen noemen dit probleem beenmergonderdrukking. De mogelijke gevolgen: vermoeidheid door bloedarmoede, infectiegevaar door een tekort aan witte bloedlichaampjes en het risico op bloedingen die niet overgaan. Door goed op te letten en zo nodig door aanvullende medische behandelingen zijn deze problemen over het algemeen goed te voorkomen of te behandelen

Letten op bloedarmoede

Om uw lichaam van zuurstof te voorzien, drijven er rode bloedlichaampjes erytrocyten in uw bloed. In die bloedlichaampjes zit hemoglobine, een stof die zuurstof kan binden. Dat gebeurt in uw longen. Aangekomen in uw spieren of in uw organen, laten de rode bloedlichaampjes de zuurstof weer los. Hoe meer u zich inspant, hoe meer zuurstof u nodig hebt. Daarom gaat uw hart sneller kloppen bij grote inspanning. Uw bloed stroomt dan sneller en kan meer zuurstof vervoeren.

Chemotherapie kan de levensduur van rode bloedlichaampjes verkorten en verstoort vaak de aanmaak van nieuwe. Dat merkt u niet direct. In het begin zweven er nog genoeg ‘oude’ rode bloedlichaampjes in uw bloed. Rode bloedlichaampjes kunnen 100 tot 120 dagen oud worden, dus bij de start van de chemotherapie zult u vermoedelijk geen problemen ondervinden. Toch kan er na verloop van tijd een sluipend tekort aan rode bloedlichaampjes ontstaan.

Vaak wordt uw bloed gecontroleerd voordat de therapie begint en ook tijdens de chemotherapie. De zogenoemde hemoglobinewaarde (hb, uitgedrukt in mmol/liter) geeft aan hoeveel rode bloedlichaampjes er in uw bloed zitten. Bij volwassen mannen ligt een hb-waarde (afhankelijk van leeftijd en lichaamsgewicht) normaal gesproken boven de 8,6. Bij volwassen vrouwen is dat boven de 7,5. Daalt de hb-waarde tot onder de 5 à 6, dan kunt u duizelig worden, u hebt het gevoel dat u niet genoeg adem kunt krijgen, u ziet er bleekjes uit, uw hart kan plotseling hevig tekeer gaan of u raakt ineens sterk vermoeid. Ook als de bloedarmoede minder diep is, kan een gebrek aan rode bloedlichaampjes een probleem zijn. Daalt uw hb-waarde onder pakweg 7,5 dan kunt u zich al moe en futloos gaan voelen. Bij een nog verdere daling stroomt de energie als het ware uit u weg. U wordt niet alleen erg snel moe, u kunt ook moeite krijgen met concentreren of dingen onthouden.

Tegen een diepe bloedarmoede helpt alleen een bloedtransfusie. Bij zo’n bloedtransfusie wordt gezuiverd bloed via een infuus in uw bloedbaan gebracht. Dat bloed bevat een grote hoeveelheid rode bloedlichaampjes, die het tekort aanvullen. U knapt daar direct van op. Toch heeft een bloedtransfusie ook nadelen. Het effect duurt bijvoorbeeld niet zo lang. De extra rode bloedlichaampjes zijn na verloop van tijd opgebruikt, en uw lichaam maakt zelf nog steeds te weinig nieuwe aan. Daardoor zijn tijdens de chemotherapie soms meerdere bloedtransfusies nodig.

Merkt u dat u veel minder energie hebt dan u van uzelf gewend bent, praat hier dan over met uw arts. Er kunnen verschillende oorzaken voor zijn. Eén daarvan is een sluipende achteruitgang van het aantal rode bloedlichaampjes. Als dat zo is, kan de arts maatregelen nemen om een verdere daling van het aantal rode bloedlichaampjes te voorkomen. Er bestaat een medicijn dat net zo werkt als het natuurlijke hormoon erytropoëtine en dat de aanmaak van rode bloedlichaampjes stimuleert. Het effect van dit medicijn wordt na ongeveer twee weken merkbaar.

Staalpillen (ferrosulfaat of ferrofumaraat), foliumzuurtabletten en injecties met vitamine B12 worden alleen voorgeschreven als u behalve een tekort aan rode bloedlichaampjes ook een tekort hebt aan ijzer, foliumzuur of vitamine B12. Deze stoffen zijn nodig om nieuwe rode bloedlichaampjes te maken.

Rekening houden met infecties

Witte bloedlichaampjes leukocyten zijn afweercellen. Zij verdedigen uw lichaam tegen allerlei indringers, zoals bacteriën en schimmels. Er zitten niet altijd evenveel witte bloedlichaampjes in uw bloed. Bij koorts kan hun aantal bijvoorbeeld flink toenemen. Normaal gesproken zitten er in elke liter bloed meer dan vier miljard (tot wel tien miljard) witte bloedlichaampjes. Daalt het aantal onder de twee miljard per liter, dan is er sprake van een ernstig tekort (leukopenie).

Chemotherapie verstoort de aanmaak van nieuwe witte bloedlichaampjes in het beenmerg. Witte bloedlichaampjes leven 7 tot 10 dagen. Vandaar dat u 7 tot 10 dagen na elke toediening van de cytostatica te maken krijgt met een zogenoemde ‘dip in het bloed’. Door een verminderd aantal witte bloedlichaampjes bent u in deze periode extra kwetsbaar voor infecties. Daar komt nog bij dat uw slijmvliezen door de chemotherapie ook verzwakken. Slijmvliezen houden normaal gesproken veel ongewenste indringers buiten uw lichaam. Kortom, het is raadzaam om tijdens de chemotherapie extra te letten op uw persoonlijke hygiëne en mogelijke infecties zo veel mogelijk te voorkomen.

Wees alert op het ontstaan van infecties.

Vermijd in deze tijd situaties waarbij de kans groter is dat u een infectie oploopt.Veel infecties worden via de handen overgedragen (bijvoorbeeld door kleine druppeltjes met het verkoudheidsvirus, die mensen aan hun handen hoesten door hun hand voor hun mond te houden). Mijd kinderdagverblijven, kinderen met een kinderziekte en volle warme ruimtes. Een griepspuit is over het algemeen niet zo effectief.

Krijgt u koorts (boven de 38° C), hebt u last van koude rillingen of pijn bij het plassen, waarschuw dan uw arts. Er kan sprake zijn van een infectie. Is dat inderdaad het geval, dan krijgt u een kuur met antibiotica. Soms moet u hiervoor worden opgenomen in het ziekenhuis.

Er bestaan medicijnen die de natuurlijke aanmaak van bepaalde leukocyten stimuleert. Zo nodig krijgt u deze medicijnen toegediend via injecties. Wordt het tekort aan witte bloedlichaampjes gevaarlijk groot, dan kan de dosering van de chemotherapie worden aangepast. Zo nodig wordt de chemotherapie zelfs uitgesteld, totdat u weer voldoende witte bloedlichaampjes hebt.

Bloedingen voorkomen

Bloedplaatjes (trombocyten) zorgen ervoor dat uw bloed kan stollen. Raakt een ader beschadigd, dan klonteren de bloedplaatjes gemakkelijk samen en vormen zo een beschermend laagje. De bloedplaatjes doen hun beschermende werk niet alleen op uw huid, maar zo nodig ook binnen in uw lichaam. Bloedplaatjes zijn klein. Normaal gesproken zitten er in elke liter bloed zo’n 140-500 miljard.

Chemotherapie verstoort de aanmaak van nieuwe bloedplaatjes in het beenmerg. Bloedplaatjes leven maar kort, net als witte bloedlichaampjes hoogstens 7 tot 10 dagen. Daardoor krijgt u 7 tot 10 dagen na elke toediening van de cytostatica te maken met een zogenoemd beschermingstekort. Wonden kunnen dan langer doorbloeden. Menstrueert u precies in die periode, dan kan dat heviger zijn dan u gewend bent. Soms ontstaan spontaan blauwe plekken of kleine puntbloedingen onder de huid. Dat kan risico’s opleveren voor uw gezondheid. Vandaar dat bij elke controle van uw bloed ook het aantal bloedplaatjes wordt gemeten.

U kunt tijdens de chemotherapie beter geen klussen doen waarbij u gemakkelijk gewond raakt, bijvoorbeeld door scherp gereedschap. Wondjes vergroten bovendien het risico op infecties.

Hebt u een wondje dat langer dan een half uur blijft bloeden, blijft een bloedneus langer dan een half uur doorlopen of hebt u hevige menstruatiebloedingen, waarschuw dan uw arts. Hetzelfde geldt als u bloed aantreft in uw urine of ontlasting. Ook als u blauwe plekken krijgt zonder dat u bent gevallen en zonder dat u zich hebt gestoten, moet u nog dezelfde dag uw arts waarschuwen.

Dreigt een te sterke daling van het aantal bloedplaatjes, dan kan de dosering van de volgende toediening worden aangepast. Soms wordt de chemotherapie zelfs uitgesteld tot u weer voldoende bloedplaatjes hebt. Bij acute problemen krijgt u via een transfusie extra bloedplaatjes. Dat is een effectieve methode om de bescherming (tijdelijk) weer op peil te krijgen.

 

Bijwerking op de slijmvliezen

Uw lichaam wordt goed beschermd door slijmvliezen. In uw neus, uw mond, uw keel en uw longen, maar ook in uw maag en darmen. Die slijmvliezen laten nuttige stoffen door en houden schadelijke stoffen en ziektekiemen buiten. Slijmvliezen worden voortdurend vernieuwd. Ze groeien dus snel aan. Chemotherapie is effectief tegen kanker, maar het verzwakt ook de slijmvliezen. Daardoor kunnen allerlei problemen ontstaan. Voor een deel kunt u die vóór zijn, met preventieve maatregelen. Krijgt u toch met deze bijwerkingen te maken, dan zijn ze soms goed te behandelen met medicijnen. Meestal is enig ongemak echter onvermijdelijk.

Bescherming van neus en ogen

De voornaamste functie van de neus is het doorlaten van uw adem van en naar de longen. Omdat een gezonde neus vrijwel continu open staat, wordt deze lichaamsopening erg goed beschermd. In uw neus wordt permanent nieuw slijm aangemaakt. Daarmee filtert uw neus allerhande ongerechtigheden uit de lucht. Niet alleen stof, maar ook ziektekiemen.

Chemotherapie verzwakt de beschermende functie van de slijmvliezen. Sommige middelen hebben overigens meer invloed op het neusslijmvlies dan andere. Het effect verschilt bovendien van persoon tot persoon. U kunt last krijgen van een droge neus en keel of juist van een loopneus en branderige ogen. Verzwakt slijmvlies beschermt u bovendien minder goed tegen allerlei ziektekiemen. Daardoor wordt u tijdens de chemotherapie sneller verkouden, krijgt u eerder griep en hebt u minder weerstand tegen infecties door schimmels en bacteriën. Er is helaas weinig te doen tegen deze aantasting van uw neusslijmvlies. U kunt er wel rekening mee houden dat u tijdens de chemotherapie bevattelijker bent voor besmettelijke ziekten en infecties.

Draag liever geen contactlenzen tijdens de duur van de chemotherapie. Uw ogen raken dan minder snel ge ïrriteerd. Bovendien kunnen sommige cytostatica de lenzen verkleuren.

Probeer verkoudheid of griep te voorkomen. Vermijd tochtige plaatsen en plotselinge afkoeling.

Hebt u tijdens de behandeling last van branderige ogen, meld dit dan aan de arts. U kunt in dat geval oogdruppels voorgeschreven krijgen.

Mond en keel goed verzorgen

Sommige cytostatica hebben invloed op de slijmvliezen die uw mondholte van binnen bekleden. Ook uw speeksel kan dikker worden en een beetje zuurder. U kunt daardoor een erg droge mond krijgen. Uw mond wordt bovendien kwetsbaar. Sommige mensen krijgen een koortslip (herpes simplex) of infecties die blaasjes of rode plekken in de mond veroorzaken. Ook uw keel kan ontstoken raken, waardoor u pijn krijgt bij het slikken.

Voorkomen is beter dan genezen. Daarom is een goede mondverzorging tijdens de chemotherapie erg belangrijk. Overleg hier zo nodig over met de verpleegkundige of met een mondhygiënist. Tijdens de chemotherapie moet u vier tot zes keer per dag uw mond spoelen met licht zout water (NaCl 0.9%), kamille-extract of zacht mondwater (bijvoorbeeld een oplossing met chloorhexidine). Spoel niet met zoete of zure mondwaters zoals citroenkwast!

Hebt u een kunstgebit of een prothese, dan moet u dat uitdoen tijdens het schoonmaken van uw mond en het gebit apart schoonmaken. Ook ’s nachts kunt u een gebitsprothese beter uitdoen.

Poets uw tanden twee keer per dag (na elke maaltijd en voordat u naar bed gaat) met een smalle, zachte tandenborstel, zodat uw tandvlees niet gaat bloeden. Gebruik liefst een tandpasta met fluoride en reinig de tussenruimtes met stokers en of ragers, want uw tanden zijn tijdens de chemotherapie extra kwetsbaar voor tandbederf (cariës).

Uw lippen en mondhoeken kunt u soepel houden met vaseline, cacaoboter of lippenvet.

Hebt u last van een droge mond, zuig dan op een zuurtje of neem een stukje kauwgom.

Pijn in uw mond of keel kunt u verzachten door te zuigen op stukjes ijs. Zo nodig kunt u pijnstillers voorgeschreven krijgen.

Krijgt u last van kleine ontstekingen of blaasjes in de mond, neem dan contact op met uw arts. Mogelijk hebt u last van een schimmelinfectie. Ontstekingen en schimmelinfecties kunnen bestreden worden met medicijnen. Is slikken pijnlijk, dan kunt u in sommige gevallen medicatie in de vorm van een drank krijgen.

Hebt u huiduitslag die veroorzaak wordt door een virus, bijvoorbeeld een koortslip (veroorzaakt door het herpes-virus), dan zijn er ook effectieve medicijnen beschikbaar.
Omgaan met verstopping en diarree

Chemotherapie kan inwerken op uw maag en darmen. Afhankelijk van de cytostatica die u krijgt, kunt u maagklachten (zuurbrand) krijgen, buikloop (diarree) of verstopping (obstipatie). De emoties en de spanningen waar u in deze periode doorheen gaat, kunnen deze problemen versterken. Als dit inderdaad een risico is bij de middelen die u krijgt, dan hoort u dat tevoren van de arts. U weet dan waar u op moet letten en wanneer u de arts moet waarschuwen.

Zorg dat u voldoende vocht binnenkrijgt.

Eet mild en vezelrijk voedsel, zoals muesli, volkorenbrood, groente en fruit

Gasvormend voedsel zoals kool, ui, bonen of prei kunt u beter vermijden.

Lichaamsbeweging is bevorderlijk voor de stoelgang.

U kunt beter niet zelf gaan dokteren met geneesmiddelen die u zonder recept bij de drogist kunt kopen. Houdt de diarree langer dan twee dagen (48 uur) aan, waarschuw dan uw arts. Hetzelfde geldt als u langer dan vier dagen niet naar het toilet kunt vanwege verstopping.

Zo nodig kunt u via de arts medicijnen krijgen tegen diarree of verstopping.

Tips om de verdraagbaarheid van voedsel tijdens deze periode te verbeteren:

Kleinere maaltijden, vaker per dag.

Weinig drinken bij het eten, echter wel veel drinken over de hele dag verdeeld.

Langzaam eten en goed kauwen

Vermijd zoet en vet eten

Vermijd scherp gekruid voedsel

Droge levensmiddelen zoals beschuit en toast worden het beste verdragen

Eet voordat u uw behandeling ondergaat (of medicijnen inneemt) slechts lichte voedingsmiddelen zoals soep of beschuit.

Een uitgebalanceerde voeding wordt aanbevolen

Overige tips tijdens behandeling met cytostatica

Gebruik fluoridetandpasta

Gebruik geen scherpe mondwaters (i.v.m. irritatie slijmvlies)

Voorkom uitdroging van uw lippen met behulp van een lippenbalsem
Overige bijwerkinge

Op dit gedeelte van de  pagina wordt kort ingegaan op een aantal andere mogelijke bijwerkingen en wat u daar aan kunt doen.

Haaruitval/kaalheid

Bij een deel van de cytostatica treedt sterke haaruitval en/of kaalheid op. In het algemeen groeien de haren aan het eind van de behandeling weer aan. Bij optredende kaalheid voelen veel vrouwen zich zelfverzekerder door het dragen van een pruik of een hoofddeksel. U kunt, wanneer u dit prettig vindt, gebruik maken van een speciaal voor u op maat gemaakte pruik. Praat met de arts of oncologieverpleegkundige over uw problemen. Ook voor deze moeilijkheden zijn acceptabele oplossingen te vinden..

Omgaan met haaruitval

Al het haar op uw lichaam groeit. Op het moment dat u cytostatica krijgt toegediend, kan die haargroei plotseling sterk verminderen. In de dagen daarna, als de medicamenten langzaam weer uit uw lichaam verdwijnen, beginnen uw haren weer normaal te groeien. Maar er is dan wel een zwakke plek ontstaan in elke haar. Daardoor breekt de haar gemakkelijk af. Soms is dat pijnlijk. Meestal begint deze haaruitval zo’n twee tot drie weken na de eerste toediening. Vaak gebeurt het in korte tijd, tijdens het kammen, tijdens het douchen of bij het aan- en uitkleden. Niet alleen het hoofdhaar valt uit, ook al uw andere lichaamshaar verdwijnt, zoals uw schaamhaar en het haar van uw wimpers en wenkbrauwen. Zolang de chemotherapie duurt, komt het haar meestal niet terug. Bij elke volgende toediening ontstaat er immers weer een nieuwe zwakke plek in het haar. Na de therapie begint uw haar weer te groeien, in het zelfde tempo als voorheen. Overigens hebben niet alle cytostatica hetzelfde effect op de haargroei. Sommige middelen veroorzaken zelfs helemaal geen haaruitval. Uw behandelend arts of oncologieverpleegkundige kan u hier meer over vertellen.

Veel mensen schrikken als hun haar begint uit te vallen. Vaak is de haaruitval het eerste zichtbare teken van de ziekte. U ziet er plotseling heel anders uit. In de spiegel, maar ook voor de buitenwereld. Er is niet veel te doen tegen haaruitval bij chemotherapie. Toch staat u niet machteloos tegenover het verlies van uw hoofdhaar.

U kunt haaruitval op verschillende manieren camoufleren. Bijvoorbeeld door het dragen van een pruik, die u al voor de behandeling kunt laten maken. Dat heeft als voordeel dat de pruikenmaker uw eigen haar ook als voorbeeld kan nemen. Ook mutsen en petten bewijzen goede diensten.

Uw haar valt meestal vrij plotseling uit, soms met plukken tegelijk. Veel mensen vinden het prettig om hun resterende haar dan direct helemaal af te scheren. Sommige mannen scheren hun hoofd al bij voorbaat helemaal kaal, als modieuze dracht.

Huidverzorging

Uw huid vernieuwt zich continu. Aan de buitenkant verliest u dag en nacht flinterdunne, vrijwel onzichtbare huidschilfertjes. Ondertussen groeit uw huid van binnenuit weer aan. Daardoor blijft uw huid soepel en gezond. Chemotherapie kan dit evenwicht tijdelijk verstoren. Daardoor kan uw huid kwetsbaar worden. Sommige mensen krijgen pukkeltjes, duidelijk zichtbare bloedvaten of een droge, gevoelige huid. De huid kan ook bleek worden. Sommige cytostatica maken de huid gevoeliger voor zonlicht. Soms worden uw nagels een beetje brokkelig. Of er tekenen zich heel fijne, dunne witte lijntjes op uw nagels af, die ontstaan bij elke toediening van de cytostatica. Tijdens de chemotherapie is het belangrijk uw huid en nagels goed te verzorgen.

U kunt best van de zon genieten, maar doe dit met mate. Gebruik een zonnecrème met een beschermingsfactor, hoger dan u gewend bent.

Was pukkeltjes zo nodig met ontsmettende zeep.

Verzorg uw nagels goed. Laat ze niet te lang groeien. Vijl uw nagels in één richting, zodat ze niet afbreken. Gebruik liever geen kunstnagels, om uw eigen nagels niet nog verder te beschadigen.

Raadpleeg zo nodig een visagist voor opmaakadviezen.

Anders vrijen

Tijdens de behandeling hebben veel mensen niet zo’n zin om te vrijen. Meestal is daar geen lichamelijke oorzaak voor, maar komt het door de omstandigheden. Veel mensen hebben tijdens de behandeling wel behoefte aan intimiteit, dicht bij elkaar zijn, elkaar vasthouden, knuffelen, tegen elkaar aan liggen.

Praat met uw partner over uw gevoelens. Vraag zo nodig professionele hulp als u er samen niet uitkomt, of als u het gevoel hebt dat u samen een steun in de rug goed kunt gebruiken.

Uw vagina kan droger zijn als gevolg van de behandeling. Gebruik zo nodig een glijmiddel tijdens het vrijen.

Restanten van de medicijnen die bij chemotherapie gebruikt worden, kunnen in uw lichaamsvocht zitten – dus ook in sperma. Sommige mensen vinden het daarom prettiger om in de chemotherapie periode met een condoom te vrijen. In sperma blijven zelden meer dan kleine, onschadelijke spoortjes van de chemotherapie achter. Als een condoomgebruik een ontspannen en plezierige seksualiteit juist bemoeilijkt, kunt u er daarom beter van afzien.

Vruchtbaarheid

Een aantal vormen van chemotherapie is schadelijk voor de vruchtbaarheid, zowel bij mannen als bij vrouwen. Jongere vrouwen kunnen vanaf de eerste toediening in een kunstmatige menopauze terechtkomen, die soms blijvend is. Mannen worden in veel gevallen tijdelijk minder vruchtbaar. Soms duurt dat jaren. Soms is die onvruchtbaarheid zelfs blijvend.

Tijdens de chemotherapie produceert het mannelijk lichaam sperma van een lage kwaliteit. Ook de rijpende eicel bij de vrouw kan beschadigd zijn. Daarom kunt u tijdens de chemotherapie beter niet zwanger worden of iemand zwanger maken.

Bespreek met de behandelend arts de mogelijke gevolgen van de chemotherapie voor uw vruchtbaarheid. Zo nodig kan sperma ingevroren worden voor toekomstig gebruik. Het invriezen van eicellen is op dit moment nog niet mogelijk.

Gehoor

Sommige cytostatica kunnen het gehoor beschadigen. Krijgt u deze middelen, dan kan voor en tijdens de behandeling uw gehoor getest worden, om onherstelbare schade zo mogelijk te voorkomen.

Voelen en bewegen

Dingen die u aanraakt voelt u door de uiteinden van zenuwen in uw huid. Maar ook binnen in uw spieren zitten zenuwen. Werken deze zenuwen niet meer, dan wordt de spier niet meer goed bestuurd vanuit de hersenen. Bewegen wordt daardoor lastiger. Sommige cytostatica kunnen de zenuwuiteinden beschadigen. Als de middelen die u krijgt inderdaad dit effect hebben, hoort u dat van de arts.

Bij zenuwbeschadiging neuropathie merkt u eerst dat uw handen en voeten een beetje gaan tintelen. Daarna kunnen delen van uw armen en benen doof gaan aanvoelen, alsof ze ‘slapen’. U moet deze verschijnselen melden aan de arts. De chemotherapie kan dan worden verminderd of zelfs tijdelijk gestopt. Dat gebeurt om te voorkomen dat u langdurige problemen krijgt bij het gebruiken van uw armen of benen.

Allergische reactie

Sommige cytostatica kunnen allergische reactie veroorzaken. Dat gebeurt meestal tijdens de eerste toediening, soms tijdens de tweede.

Krijgt u plotseling huiduitslag of rode vlekken, een lage bloeddruk en koorts (boven de 38° C), waarschuw dan direct de arts.

Zeldzame reacties in verschillende organen

Sommige cytostatica kunnen schadelijk zijn voor het hart. Vooral als ze in een grote dosis gegeven worden. Uw arts houdt hier rekening mee bij het bepalen van de dosering en bij de keuze van het middel. Daarbij vraagt de arts natuurlijk ook aan u of u hartklachten hebt. Soms wordt er voor de start van de kuren een hartonderzoek gedaan, om elk risico uit te sluiten.

Sommige cytostatica kunnen de nieren beschadigen. Daarom krijgt u deze middelen tegelijk met een infuus waar heel veel vocht doorheen loopt. Omdat dit infuus moet doorlopen, wordt u voor deze behandeling altijd in het ziekenhuis opgenomen.

Sommige cytostatica kunnen de blaas of de urinewegen beschadigen. Dit is te voorkomen door toediening van vocht, meestal via een infuus. Ook kan de behandelend arts medicijnen voorschrijven die de blaas en de urinewegen beschermen. Krijgt u deze cytostatica, let dan op bloed in de urine. Waarschuw in dat geval uw arts.

Kanker door chemotherapie

Cytostatica kunnen soms kankerverwekkend (carcinogeen) zijn, maar dat is geen reden om van de behandeling af te zien. De giftige werking is immers essentieel om de ziekte aan te pakken. De kans dat u opnieuw kanker ontwikkelt door de chemotherapie is erg klein.

Andre klachten bij chemotherapie

Chemotherapie heeft vrijwel altijd bijwerkingen. Maar ook kanker zelf geeft klachten. Soms is het moeilijk uit te maken wat de oorzaak is van uw klachten, de ziekte of de behandeling. Daarom hieronder een overzicht van problemen bij kanker, hoe die samenhangen met chemotherapie en wat er eventueel tegen te doen is.

Pijn

Pijn bij kanker kan verschillende oorzaken hebben. De tumor kan bijvoorbeeld tegen een zenuw aandrukken of de werking van bepaalde organen belemmeren. U kunt ook pijn hebben aan littekens van een operatie of bestralingen, niet alleen op uw huid, maar ook in uw lichaam. Lichamelijk onderzoek is soms pijnlijk. Soms bent u zo moe dat u veel op bed moet liggen, met als gevolg dat uw huid kwetsbaar wordt en pijn gaat doen. Ook de druk waaronder u leeft kan bijdragen aan de pijn. Angst en onzekerheid, de behandelingen die u moet ondergaan en de spanningen die daarmee gepaard gaan kunnen de pijn versterken.

Chemotherapie veroorzaakt zelf nauwelijks pijn. Sommige mensen krijgen er hoofdpijn van, anderen pijnlijke spieren, maar bij de meeste mensen leidt chemotherapie niet tot meer pijn. Als tumoren of uitzaaiingen kleiner worden door de chemotherapie, kan de pijn zelfs minder worden.

Probeer pijn bij kanker niet alleen en in stilte te verdragen. Vraag aandacht voor uw pijn. Meld uw pijn aan uw arts. Hebt u moeite om uw pijn onder woorden te brengen, houd dan een pijndagboek bij. Neem dit dagboek mee als u met uw arts gaat praten over uw pijn en de pijnbestrijding.

In veel gevallen is pijn goed te bestrijden of te verlichten. Met pijnstillers, door fysiotherapie of soms door een operatie waarbij de zenuwen die de pijn doorgeven worden geblokkeerd. De meeste pijnstillers werken het beste als u ze regelmatig inneemt en niet pas als de pijn in alle hevigheid komt opzetten. Er bestaan ook pijnpleisters die zorgen voor een continue afgifte van pijnstiller. Angst voor verslaving of gewenning is meestal niet nodig. Zelfs zware medicijnen zoals morfine zijn bij gebruik als pijnstiller maar zelden verslavend.

U kunt ook zelf het nodige doen om de pijn te verzachten. Bijvoorbeeld door te zorgen voor rust en regelmaat in uw dagindeling, door ontspanningsoefeningen of bijvoorbeeld door wandelingen te maken of naar muziek te luisteren, door warmtepakkingen of juist door de plekken waar u pijn hebt zo nu en dan flink af te koelen met ijs.

Soms blijft u last houden van pijn, ondanks alle pijnbestrijding. Ook in dat geval hoeft u niet alleen te blijven met uw pijn. Praat er over met de mensen in uw omgeving, vraag professionele hulp bij het leren omgaan met de pijn of zoek lotgenoten bij een patiëntenvereniging.

Organen in de knel

Tumoren kunnen uw organen flink in de weg zitten. Soms functioneren ze daardoor slecht. Dat kan allerlei klachten veroorzaken, afhankelijk van de taken die het betreffende orgaan vervult. Bij een goede behandeling van kanker heeft het behandelteam niet alleen aandacht voor de kanker zelf, maar ook voor de gevolgen van de ziekte voor uw lichaam. Bespreek uw klachten daarom altijd met uw arts.

Een klein aantal cytostatica, vooral als ze gebruikt worden in gespecialiseerde chemotherapie met hoge doseringen, kan schade aanrichten aan bepaalde organen, zoals het hart, de nieren, de longen of de blaas. De arts die deze middelen voorschrijft is op de hoogte van de risico’s en bespreekt ze met u voordat de behandeling van start gaat. U weet dan ook op welke verschijnselen u moet letten en wanneer u de arts moet waarschuwen.

Veel mensen met kanker zijn moe. Die vermoeidheid kan verschillende oorzaken hebben. Kankercellen groeien soms hard en dat vraagt veel energie. Tumoren kunnen uw lichaamsfuncties verstoren, waardoor u zich niet lekker voelt. Sommige kankerpatiënten hebben last van een te hoog calciumgehalte in het bloed hypercalcemie, bijvoorbeeld door uitzaaiingen in de botten. Pijn kan erg vermoeiend zijn. Angst en onzekerheid eisen hun tol. Maar ook de behandeling van kanker kan vermoeidheid veroorzaken. Operaties, bestralingen en vooral chemotherapie belasten uw lichaam. Als u minder moe bent voelt u zich prettiger en kunt u het leven beter aan. Daarom is het belangrijk om vermoeidheid niet als vanzelfsprekend te accepteren. Vaak is er iets te doen, bijvoorbeeld door het aanpakken van de bijwerkingen van de chemotherapie.

Somberheid en depressie

Als u te maken krijgt met kanker is het helemaal niet verwonderlijk dat u verdrietig bent of boos. Meestal komen en gaan deze gevoelens. Maar soms komt u in een spiraal naar beneden terecht. U wordt lusteloos, u hebt nergens meer zin in, u komt niet meer in beweging, u brengt de energie niet meer op om uw zorgen met anderen te delen. Dan is de kans groot dat u lijdt aan depressie.

Een depressie is meer dan een tijdelijke somberheid. Een depressie is een ziekte, die grote gevolgen kan hebben. Sommige mensen zijn er vatbaarder voor dan anderen. Inmiddels is duidelijk dat er ook lichamelijke oorzaken zijn aan te wijzen voor depressies. Die hebben te maken met de stofwisseling in uw hersens. Sommige vormen van kanker verstoren die stofwisseling, waardoor u sneller depressief wordt.

Depressie is vaak goed te behandelen, door gesprekken met een deskundige hulpverlener en zo nodig met medicijnen (antidepressiva).

Mogelijke bijwerkingen van chemotherapie

Chemotherapie is voor de patiënt lichamelijk en psychisch vaak een zeer belastende therapie. Zij gaat in de regel gepaard met een groot aantal bijwerkingen. De meeste van deze bijwerkingen verdwijnen echter weer als de behandeling afgelopen is. Doordat verschillende cytostatica aangrijpen op verschillende onderdelen van de cel en op diverse stadia van de celdeling, verschillen ze onderling ook in bijwerkingen. Vraag uw behandelend arts of oncologieverpleegkundige wat de mogelijke bijwerkingen zijn van de middelen die u gaat krijgen.

Verscheidene cytostatica veroorzaken bij een gedeelte van de patiënten vervelende bijwerkingen, zoals: misselijkheid, overgeven, smaakverandering, haaruitval (kaalheid), prikkelingen in handen en voeten, brandende ogen en groeiremming van slijmvlies en beenmerg. Door de groeiremming van het beenmerg kunnen bloedarmoede en verlaging van het aantal bloedplaatjes of witte bloedcellen optreden. Door dit laatste wordt de kans op infecties verhoogd. Bloedarmoede kan ernstige vermoeidheid, concentratiestoornissen en een verminderd  libidoveroorzaken. Op het psychische vlak kan somberheid of zelfs depressie optreden. Vroegtijdige menopauze kan intreden. Hormonale substitutie kan gegeven worden om overgangsklachten en  osteoporose te voorkomen, maar bij hormoongevoelige tumoren zal men daar terughoudend mee zijn.

In hoeverre op lange termijn schade optreedt ten gevolge van cytostatica is nog niet voor alle middelen even duidelijk. Voor de start van de behandeling zal door uw arts in samenspraak met u een nauwkeurige afweging van baten en risico’s worden gemaakt. Hierbij speelt een belangrijke rol dat door toepassing van cytostatica bij vroege borstkanker betere overlevingskansen bereikt kunnen worden. Bij uitgezaaide borstkanker verwacht men weliswaar geen genezing meer, maar wordt in het algemeen een langere overlevingsduur en een betere kwaliteit van leven verkregen.

nder gemakkelijk depressief. Daarom is het belangrijk om zo goed mogelijk in conditie te blijven, ook tijdens de chemotherapie. Ook u goed kleden en er verzorgd uitzien kan helpen voorkomen dat u zich depressief gaat voelen.

 

3 gedachten over “Chemotherapie

  1. Pingback: Wat kun je zelf doen voor je lichaam en geest? | Hulp en informatie voor kankerpatiënten

  2. Mijn broer heeft longkanker. Een andere broer en ik gooiden bij hem een legpuzzel op tafel. Samen hebben we deze in elkaar gelegd. Samen bezig zijn voelde zo goed. Daarna heeft mijn broer zelf een puzzel op tafel gegooid,en elke dag een tijd aan zitten puzzelen. Een welkom tijdsverdrijf, en heel veel ontspanning. Later gaf hij zelf aan,dat hij het puzzelen zo fijn vond, en anders niet had geweten hoe hij de tijd moest doden. Het was voor hem een soort meditatie. Na 7 chemo kuren, waren de tumoren kleiner geworden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *