Slokdarm

Wat is slokdarmkanker?

Slokdarmkanker (ICD-9-code 150; ICD-10 code C15) is een kwaadaardige (maligne) tumor van de slokdarm. Er zijn twee typen:

Plaveiselcelcarcinoom: Deze tumor vormt zich uit de cellaag die de binnenkant van de slokdarm bekleedt en ontstaat vooral in het middelste en onderste deel van de slokdarm.

Adenocarcinoom: Deze tumor ontwikkelt zich uit cylindrisch epitheel, ook wel Barrett epitheel genoemd. Dit Barrett-epitheel komt voor bij circa. 10% van patiënten met een chronische blootstelling van de slokdarm aan etsend maagzuur. Door de chronische irritatie en bijbehorende ontsteking wordt de normale plaveisel cellaag vervangen door het zuur-resistente Barrett-epitheel. Dit Barrett-epitheel bevindt zich meestal in de onderste slokdarm dichtbij de maag alwaar de blootstelling aan maagzuur het grootst is (de gastro-oesophageale overgang). Het risico op kanker bij patiënten met Barrett-epitheel in de onderste slokdarm wordt geschat op circa 0,5-2% per jaar.

Een kwaadaardige tumor in het weefsel van de slokdarm

In het Westen is slokdarmkanker zeldzaam; in landen als Iran en China komt deze vorm van kanker veel vaker voor. De aandoening komt bij mannen meer dan twee keer zo vaak voor als bij vrouwen, en het meest bij mensen tussen 60 en 70 jaar. De kans op overlijden is hoog, omdat de tumor vaak al enige tijd bestaat voordat de symptomen zich ontwikkelen. Tegen de tijd dat medische hulp wordt gezocht, is de tumor meestal al naar andere delen van het lichaam uitgezaaid.

De symptomen

Wanneer de aandoening zich aandient, zijn er vaak helemaal geen symptomen, maar zo gauw deze zich ontwikkelen duurt het nog weken of maanden voordat de slokdarm verstopt is. De klachten zijn: pijn bij en moeilijkheden met het slikken van vast voedsel, vooral van brood en vlees; later ook problemen met het slikken van vloeistoffen; terugstromen van net ingeslikt voedsel; hoesten ten gevolge van het in de longen komen van voedsel; verminderde eetlust en gewichtsverlies.

Als de tumor zich verbreidt en de luchtwegen aantast, kunt u kortademig worden en bloed ophoesten.

Vaak pas klachten in een vergevorderd stadium

Patiënten hebben meestal klachten die te maken hebben met een vernauwing van de slokdarm door de tumor (Rosenberg et al., 2005). Ze hebben vaak het gevoel dat het eten niet wil zakken. Dit kan gepaard gaan met een krampende pijn achter het borstbeen en soms met hikken of hoesten (bij overlopen van voedsel naar de luchtwegen) (Van Lanschot, 2004). Er is ook vaak sprake van gewichtsverlies en een verminderde voedingstoestand van de patiënt (Rosenberg et al., 2005). Er ligt gemiddeld 4 maanden tijd tussen het ontstaan van de klachten en het stellen van de diagnose (Martin et al., 1997). Op het moment van ontdekking van slokdarmkanker is bij de meerderheid van de patiënten de ziekte al in een gevorderd stadium en is behandeling gericht op definitieve genezing (operatie) niet altijd meer mogelijk.

Behandelingsmogelijkheden

Als het stadium van uw ziekte bekend is, bepaalt de arts welke behandeling mogelijk is. Behalve het stadium spelen natuurlijk ook nog andere, persoonlijke factoren mee. Uw lichamelijke conditie bijvoorbeeld. En welke behandelingen u zelf wilt ondergaan, of niet. Uw arts zal dan ook altijd met u overleggen over de mogelijkheden en de verschillende behandelingen.

Bij een endoscopie, waarbij een flexibele slang in de slokdarm wordt gebracht (zie Endoscopie van de bovenste spijsverteringsorganen), kan een biopsie worden genomen. Men kan ook een röntgenfoto met behulp van bariumpap maken (Bariumpap slikken (test)) om een blokkering in de slokdarm op te sporen. Is de diagnose eenmaal bevestigd, dan kan een CT-scan (-scannen) van borst of buik worden gemaakt om te bepalen of de tumor zich heeft verspreid .

Operatie gericht op genezing op beperkte schaal mogelijk

Minder dan 30% van de patiënten die zich presenteren met slokdarmkanker komt in aanmerking voor een chirurgische behandeling gericht op genezing. Het doel van de operatie is dan ook een complete verwijdering van de tumor met aangrenzende lymfeklieren. Bij de overige patiënten is de tumor lokaal te ver doorgegroeid (T4-stadium, zie verder) of zijn er al uitzaaiingen. In deze groep patiënten is genezing (curatie) in principe niet meer mogelijk. De levensverwachting van deze groep bedraagt circa 6 maanden. Behandeling is gericht op palliatie (waarborgen voedselpassage). Daarnaast speelt de leeftijd en lichamelijke conditie van de patient een belangrijke rol. De gemiddelde leeftijd van patiënten met slokdarmkanker is 65 jaar en vaak zijn er andere aandoeningen (met name hart en longen) die het risico van een ingrijpende operatie te groot maken. Behandeling met chemotherapie al dan niet in combinatie met radiotherapie is dan een mogelijkheid.

Hoe ontstaat een uitzaaiing? Een uitzaaiing kan ontstaan wanneer de tumor door een bloedvat of een lymfevat groeit. Kankercellen kunnen dan losraken van de oorspronkelijke tumor. Deze kankercellen kunnen zich via de bloedbaan of het lymfestelsel verspreiden door het lichaam. Als zo’n losgeraakt klompje kankercellen elders in het lichaam gaat ‘nestelen’ ontstaat een uitzaaiing. Losgeraakte cellen van een tumor in de slokdarm komen vaak in de lever of in de longen terecht. De tumor die daar ontstaat wordt een uitzaaiing of metastase genoemd.

Wat is een recidief?

Bij het stellen van een diagnose gebruikt de arts ook wel eens de term ‘recidief’. Een recidief is een tumor die is teruggekeerd na een behandeling. Een recidief ontstaat altijd op dezelfde plaats als de eerste tumor. Dat wil zeggen op de plaats waar de vorige tumor is verwijderd.

Zeer vroeg stadium

Bij slokdarmkanker in een heel vroeg stadium is soms een endoscopische behandeling mogelijk. Een endoscopische behandeling is een behandeling die via de slokdarm wordt uitgevoerd. De arts gaat dan met een endoscoop (een flexibele buis) via uw mond in uw slokdarm. Door de endoscoop kan de arts instrumenten opschuiven. Het kwaadaardige weefsel in de slokdarm kan zo weggehaald worden. Voor deze behandeling moet de slokdarmkanker beperkt zijn tot de slijmvlieslaag. Deze behandeling kan ook uitgevoerd worden bij voorloper cellen van slokdarmkanker, of bij een Barrett-slokdarm.

Vroeg stadium

Een operatie is de standaardbehandeling bij slokdarmkanker in een vroeg stadium, als er geen uitzaaiingen zijn. Soms is het stadium van de ziekte nog niet precies duidelijk. Tijdens de operatie blijkt dan pas hoe ver de tumor precies is doorgegroeid, en of er uitzaaiingen zijn. In sommige gevallen kan de chirurg de tumor daardoor niet helemaal verwijderen. Op dat moment moet de chirurg soms besluiten om niet verder te opereren.

Er zijn verschillende operatietechnieken. De keus voor een bepaalde techniek is vooral afhankelijk van de precieze plaats van de tumor in de slokdarm. Een operatie wordt soms gecombineerd met andere behandelingen. Bijvoorbeeld chemoradiatie. Dit is een combinatie van chemotherapie en bestraling. Bij slokdarmkanker vindt deze aanvullende behandeling meestal plaats voor de operatie.

Gevorderd stadium

Als slokdarmkanker in een gevorderd stadium wordt vastgesteld, is genezing vaak niet meer mogelijk. Dat is het geval als er uitzaaiingen zijn gevonden, of als de tumor in omliggende weefsels is gegroeid. De behandeling is in dan gericht op het afremmen van de ziekte, en het verminderen van klachten. Dit heet een palliatieve behandeling.

Een palliatieve behandeling bij slokdarmkanker kan uit verschillende behandelingen bestaan. De meeste patiënten worden in dit stadium behandeld met bestraling. Dit kan zowel inwendige als uitwendige bestraling zijn. Daarnaast is het plaatsen van een stent (buisje) in de slokdarm een behandeling die regelmatig wordt uitgevoerd. Deze behandeling is gericht op het verminderen van klachten. In sommige gevallen wordt chemotherapie, bestraling of een combinatie van deze behandelingen toegepast.

Verschillende stadia

Er zijn verschillende manieren om het stadium van slokdarmkanker aan te duiden. Over het algemeen wordt in de patiëntenvoorlichting de indeling van stadium 0 tot en met IV gebruikt. Deze indeling is weergegeven in onderstaande tabel. Stadium 0 is het vroegste stadium. Stadium IV is het meest gevorderd en dus het meest ernstig. Er worden in de medische wereld ook andere indelingen gebruikt. Bespreek het stadium van uw ziekte daarom altijd met uw arts, om verwarring te voorkomen.

Door middel van onderzoeken kan de arts vaststellen hoe ver de tumor in de slokdarmwand is gegroeid. En of er uitzaaiingen zijn elders in het lichaam. Om de verschillende stadia van slokdarmkanker te kunnen begrijpen, wordt eerst de bouw van de slokdarm besproken.

De wand van de slokdarm is van binnen naar buiten opgebouwd uit:

Slijmvlieslaag; deze bekleedt de binnenkant van de slokdarm.

Bindweefsellaag;

Spierlaag; de spieren in de slokdarmwand verplaatsen voedsel met samentrekkende (peristaltische) bewegingen naar de maag.

Adventitia; de buitenste laag van de slokdarmwand.

Slokdarmkanker ontstaat in de slijmvlieslaag of de bindweefsellaag. Hoe verder de tumor door de slokdarmwand is heen gegroeid, hoe verder de ziekte is gevorderd.

Verschillende stadia van slokdarmkanker

Stadium Betekenis
Stadium 0 Tumor is beperkt tot de slijmvlieslaag van de slokdarm
Stadium I Tumor is beperkt tot de bindweefsellaag van de slokdarm
Stadium II A Tumor is tot in de spierlaag of de adventitia gegroeid; er zijn geen uitzaaiingen
Stadium II B Tumor is nog niet door de slokdarmwand gegroeid; Er zijn wel uitzaaiingen in de lokale lymfeklieren
Stadium III Tumor is tot in de buitenste laag van de slokdarmwand gegroeid en er zijn uitzaaiingen in lokale lymfeklierenTumor is door de slokdarmwand en in omliggende weefsels gegroeid
Stadium IV Tumor is uitgezaaid naar lymfeklieren elders in het lichaam, of naar andere organen (bv. longen of lever)

De behandeling

De vraag is nu of de kanker beperkt blijft tot de slokdarm of zich verspreidt in het weefsel rond de oorspronkelijke plek. Een plaatselijk gezwel kan worden verwijderd, maar dit is een grote operatie en bij slechts weinig patiënten wordt de diagnose vroeg genoeg gesteld om een operatie de moeite waard te maken.

Als de kanker zich al heeft verspreid of als de algehele gezondheid niet optimaal is, wordt de behandeling gericht op het verlichten van de symptomen.

Behandeling van vroeg-carcinoom: endoscopisch?

Voor slechts een deel van de patiënten waarbij er sprake is van een vroeg-carcinoom of een Barrett slokdarm met een hoog risico op de ontwikkeling van kanker is het mogelijk om dit te verwijderen via de endoscopische benadering. De patholoog onderzoekt vervolgens het verwijderde weefsel en indien blijkt dat de kanker inderdaad beperkt is gebleven tot de oppervlakkige laag van de slokdarm is de kans op lymfeklier uitzaaiingen zeer gering (<5%) en is deze verwijdering afdoende. Het voordeel is de geringere mortaliteit en morbiditeit van deze procedure. Een alternatief is de verwijdering van de slokdarm als therapie van keuze, ook bij het vroeg-carcinoom.

Chirurgische behandeling leidt niet vaak tot volledige genezing

Een op genezing gerichte (curatieve) behandeling van slokdarmkanker is alleen mogelijk als er geen aantoonbare uitzaaiingen op afstand zijn. Tot op heden is operatieve verwijdering van een deel van de slokdarm en het bovenste deel van de maag in principe de enige behandeling met een kans op lokale genezing (Van Sandick et al., 2000). De continuïteit van het spijsverteringskanaal wordt hersteld door de maag aan te sluiten op het resterende deel van de slokdarm in de hals. Deze grote ingreep gaat gepaard met een ziekenhuissterfte van ongeveer 3-5%. Bovendien krijgt 30-40% van de patiënten al tijdens de ziekenhuisopname complicaties die samenhangen met de operatie, zoals infectieuze problemen (wond-longinfecties), hart problemen (hartinfarct, ritmestoornissen), naadlekkage, (tijdelijke) stemband stilstand (Hulscher et al., 2002). De 5-jaarsoverleving na deze curatieve behandeling is 25-30%. De mediane overleving bedraagt 22 maanden. Er zijn verschillende chirurgische benaderingen mogelijk. De uiteindelijke keuze wordt bepaald door de ligging van de tumor (bovenste, middelste of onderste eenderde deel van de slokdarm) en de eventuele wens tot het verrichten van een uitgebreidere lymfeklier dissectie. Echter, grote winst in 5-jaars overleving van een uitgebreide klierverwijdering via een buik- en borstbenadering lijkt niet op te wegen tegen de grotere kans op complicaties (Hulscher et al., 2002). De 5-jaarsoverleving is afhankelijk van het TNM-stadium van de tumor.Na een curatieve operatie is de overleving circa 85% voor stadium I tumoren, 45% voor stadium II, 20% voor stadium III en minder dan 10% voor stadium IV (Wijnhoven et al., 2007).

Overzicht van belangrijke ontwikkelingen in behandeling.

Behandeling

Huidig gebruik

Operatie +, in opzet curatief
Radiotherapie +, voornamelijk palliatief
Chemotherapie +, voornamelijk palliatief
Chemotherapie voorafgaand aan operatie +, om overlevingskansen te vergroten

Palliatieve behandeling bij patiënten in goede conditie

Als de tumor niet meer lokaal is te verwijderen, dan is de behandeling gericht op het verminderen van de klachten (palliatie), vooral ten aanzien van de passage van voedsel (Siersema et al., 2005). Bij patiënten in een goede lichamelijke conditie, die geen uitzaaiingen hebben, zijn er een aantal mogelijke behandelingen. Indien er geen metastasen op afstand zijn maar de tumor lokaal niet is te verwijderen wordt vaak gekozen voor uitwendige, hoog gedoseerde, langdurende radiotherapie gecombineerd met inwendige bestraling (=brachytherapie). De meerderheid van de patiënten (60-100%) heeft een goede response en ervaart verlichting van de klachten. Toch krijgt minder dan 50% opnieuw passageklachten (Wijnhoven, 2004).

Palliatieve behandeling bij patiënten in slechte conditie

Bij patiënten die een slechte conditie of uitzaaiingen hebben, bestaat de palliatieve behandeling uit laaggedoseerde kortdurende inwendige radiotherapie (brachytherapie), lasertherapie of het inbrengen van een buisje (stent) door het tumorgebied heen zodat voedselpassage mogelijk blijft (Siersema et al., 2005). Een nadeel van de brachytherapie is dat de passage pas na minimaal een week verbetert. Plaatsing van een stent geeft vaak direct verbetering van de voedsel passage en heeft een hoog initieël succespercentage. Onlangs is er in Nederland een onderzoek afgerond dat plaatsing van een stent vergeleek met brachytherapie bij patiënten met een niet te opereren slokdarmcarcinoom. Een eenmalige dosis inwendige radiotherapie gaf een betere passage op de langere termijn en minder complicaties dan stent plaatsing. Ten slotte bestaan er nog ander behandelingsmethoden ter palliatie zoals de endoscopische laserbehandeling, alcohol injectie of electrocoagulatie. Bovenstaande technieken zijn niet geheel zonder risico’s. Pijn achter het borstbeen, fistels, perforatie van de slokdarm, longontsteking en bloeding zijn bekende complicaties die kunnen optreden bij 10-20% van de patiënten.

 

De diagnose

Het plaatsen van een buisje (‘stent’) in het aangetaste deel van de slokdarm kan het slikken vergemakkelijken (zie Palliatieve chirurgie bij kanker). Aanvullende behandeling kan bestaan uit bestraling (Radiotherapie (bestraling) (behandeling)) en chemotherapie (Chemotherapie (behandeling)). z

De prognose

Ongeveer één op de vier mensen die zijn geopereerd met het doel te genezen, leeft na vijf jaar nog. Voor mensen bij wie deze chirurgie geen kans had en niet is toegepast, is de levensverwachting gewoonlijk minder dan een jaar.

Risicofactoren Leeftijd Komt het meest voor tussen 60 en 70 jaar; is zeldzaam onder 50 jaar Roken en overmatig drankgebruik zijn risicofactoren Geen factoren van betekenisGeslacht Komt twee- tot driemaal zoveel voor bij mannenLeefwijze Roken en overmatig drankgebruik zijn risicofactorenErfelijkheid Geen factoren van betekenis

Vooruitzichten

De vooruitzichten zijn afhankelijk van het stadium van uw ziekte. Daarnaast zijn er natuurlijk nog andere factoren die van invloed zijn op deze vooruitzichten. Voorbeelden hiervan zijn uw leeftijd, uw verdere lichamelijke conditie en hoe u reageert op een behandeling. Uw persoonlijke vooruitzichten kunt u dan ook het beste met uw behandelend arts bespreken. Uw arts is de enige die hier een uitspraak over kan doen. Toch is het vaak voor een arts onmogelijk om te voorspellen hoe het verloop van een ziekte als slokdarmkanker zal zijn. De vooruitzichten worden ook wel prognose genoemd.

Bij slokdarmkanker worden de vooruitzichten vaak gegeven voor twee groepen patiënten:

Patiënten die een operatie ondergaan die gericht is op genezing (curatieve behandeling)

Patiënten die niet meer geopereerd kunnen worden, en die een behandeling krijgen om de ziekte af te remmen en klachten te verminderen (palliatieve behandeling)

Van de eerste groep is het percentage patiënten dat na vijf jaar nog leeft ongeveer 25 tot 30 %. Het percentage patiënten uit de tweede groep, dat na vijf jaar nog in leven is, is een stuk lager. De vijfjaarsoverleving van alle slokdarmkankerpatiënten samen is ongeveer 10%.

Overlevingskans slokdarmkanker gestegen

Patiënten chemotherapie geven en bestralen in combinatie met een operatie redt levens

De overlevingskans van slokdarmkankerpatiënten met een tumor die nog operatief verwijderd kan worden, stijgt met een derde wanneer zij voorafgaand aan de operatie chemotherapie en bestraling krijgen. Dat blijkt uit een grote Nederlandse studie van vijf academische instellingen en twee ziekenhuizen onder leiding van Erasmus MC. De onderzoekers hebben hun bevindingen zojuist gepubliceerd in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift The New England Journal of Medicine (NEJM). De vinding is belangrijk omdat het aantal mensen met slokdarmkanker fors toeneemt.

Wereldwijd komen er jaarlijks 480.000 nieuwe patiënten met slokdarmkanker bij. Meer dan de helft van de patiënten bij wie de diagnose slokdarmkanker wordt gesteld komt niet meer in aanmerking voor een operatie, omdat de tumor te uitgebreid is of omdat er al sprake is van uitzaaiingen. De vijfjaarsoverleving van patiënten die wel geopereerd kunnen worden is ongeveer 40 procent. In de studie werd aangetoond dat dit percentage met 13 procent stijgt wanneer de patiënten voorafgaand aan de operatie een gecombineerde behandeling van chemotherapie en bestraling kregen. Van de patiënten die alleen geopereerd werden, was na twee jaar nog de helft in leven. Bij de patiënten die de uitgebreide behandeling kregen, was na ruim vier jaar nog de helft in leven.

Pieter van Hagen van de afdeling Heelkunde en Ate van der Gaast van de afdeling Interne Oncologie, respectievelijk eerste en laatste auteur van het artikel, zijn blij met de uitkomsten van het onderzoek. ‘Het is moeilijk om een tumor in het gebied van de slokdarm volledig operatief weg te halen. Om de slokdarm liggen veel vitale lichaamsdelen die niet beschadigd mogen worden. Daardoor blijven er na een operatie vaak nog tumorcellen achter. De chemotherapie en bestraling zorgen ervoor dat de kans dat tumorcellen na de operatie achterblijven sterk verminderd wordt. De behandeling met chemotherapie en radiotherapie was zo effectief dat bij 29 procent van de patiënten na de behandeling geen tumorcellen meer werden teruggevonden’.

Op jaarbasis worden in Nederland ongeveer 1.500 patiënten geopereerd aan slokdarmkanker. De verwachting is dat dit aantal in de komende jaren fors zal toenemen. Niet alleen door de vergrijzing, maar waarschijnlijk ook een minder gezonde levensstijl van mensen, overgewicht en irritatie van de slokdarm door terugloop van maagzuur dragen hieraan bij. De onderzoekers zijn erg tevreden over de samenwerking met de andere instellingen en trots dat sinds twee jaar het merendeel van alle slokdarmkankerpatiënten in Nederland nu met chemotherapie en bestraling voorafgaand aan de operatie behandeld wordt. ‘Omdat de eerste resultaten zo veelbelovend waren, zijn we al voordat de laatste analyses afgerond waren patiënten op die manier gaan behandelen. De behandeling van patiënten met slokdarmkanker is hierdoor aanzienlijk verbeterd’. Deze studie is opnieuw een voorbeeld van het feit dat het in Nederland door een goede samenwerking mogelijk is om belangrijke studies te doen.

Voor de studie zijn de overlevingskansen van 366 patiënten vergeleken in de periode maart 2004 tot december 2008. Het onderzoek kon tot stand komen door Erasmus MC in samenwerking met AMC, VU MC, UMC St. Radboud, UMC Groningen, Catharina Ziekenhuis in Eindhoven en ziekenhuis Rijnstate in Arnhem. Het onderzoek werd gefinancierd door KWF Kankerbestrijding.

Bron: Erasmus MC

Risicofactoren van slokdarmkanker

Overmatig alcoholgebruik, roken en overgewicht vergroten de kans op het krijgen van slokdarmkanker van het type plaveiselcelcarcinoom. De belangrijkste risicofactoren voor het ontstaan van de andere vorm van slokdarmkanker, het adenocarcinoom, zijn chronische terugvloed van maagzuur in de slokdarm (refluxziekte) en opnieuw overgewicht. Hoewel ogenschijnlijk paradoxaal, lijkt infectie met Helicobacter pylori juist te beschermen tegen het adenocarcinoom. Een lage consumptie van groente is mogelijk voor beide typen slokdarmkanker een risicofactor. Veranderingen in de behandeling van slokdarmkanker hebben in het recente verleden slechts een gering effect gehad op de overlevingskansen.

Toekomstige trends moeilijk voorspelbaar

Het aantal rokers is in de periode 1960-1990 onder mannen gedaald, maar de alcoholconsumptie is in de jaren zestig tot begin jaren tachtig sterk gestegen. Het netto-effect op de incidentie van slokdarmkanker is moeilijk te voorspellen. In de westerse wereld (inclusief Nederland) neemt het aantal nieuwe gevallen van het adenocarcinoom van de slokdarm wel duidelijk toe. Dit kan het gevolg zijn van een toename van refluxziekte en/of de sterke toename van het aantal mensen met overgewicht. De mogelijke rol van een afname van infecties met Helicobacter pylori wordt nog verder onderzocht. Naar verwachting zullen in de nabije toekomst meer patiënten met chemotherapie worden behandeld.

Alleen al op basis van demografische ontwikkelingen is de verwachting dat het aantal nieuwe personen met slokdarmkanker in de periode 2005-2020 zal toenemen met circa 39%.

Incidentie

Incidentie in Nederland iets boven het EU-gemiddelde De incidentie van slokdarmkanker ligt in Nederland voor zowel mannen als vrouwen net boven het gemiddelde van de EU-15 (zie figuur 1). De verschillen in incidentie van slokdarmkanker zijn groot binnen Europa. De incidentie is in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zes tot zeven keer zo groot als in Griekenland. Verder valt op dat in alle landen het verschil in incidentie tussen mannen en vrouwen groot is. Dit is het meest opvallend in Frankrijk waar de incidentie bij mannen zeven keer zo groot is als bij vrouwen. Incidentie in EU in jaren negentig bijna overal toegenomen De incidentie van het adenocarcinoom (zie: Wat is slokdarmkanker?) is de laatste decennia van de twintigste eeuw in veel westerse landen toegenomen (Botterweck et al., 2000). In de periode 1995-1998 is de gestandaardiseerde incidentie alleen onder Franse mannen wat afgenomen (van 17 tot ruim 14 per 100.000) (EUCAN). De toename van slokdarmkanker verloopt parallel aan de toename van een bepaalde vorm van maagkanker, namelijk die van het overgangsgebied van de maag naar de slokdarm, de cardia (La Vecchia et al., 1998).

Neemt het aantal mensen met slokdarmkanker toe of af?

Aantal nieuwe patienten bij mannen stijgt sneller dan bij vrouwen Bij mannen is het aantal nieuwe gevallen van slokdarmkanker in de periode 1990-2003 met ongeveer 50% toegenomen. Bij vrouwen is het aantal nieuwe gevallen in dezelfde periode, met inachtneming van enkele schommelingen, met 25% toegenomen (zie figuur 1). De stijging van het aantal nieuwe gevallen bij mannen heeft zich al in de jaren zeventig ingezet (IKZ, 2005). De sterkste stijging doet zich voor bij mannen tussen de 50 en 75 jaar (VIKC, 2005). Sterke stijging adenocarcinoom bij mannen De toename in incidentie van slokdarmkanker wordt geheel verklaard door de sterke toename van de adenocarcinomen bij mannen en in mindere mate ook bij vrouwen

Toename van het totaal aantal mensen met slokdarmkanker

Het totaal aantal patiënten met slokdarmkanker is in de periode 1998-2004 met naar schatting 29% toegenomen. Deze schatting is gebaseerd op de 10-jaarsprevalentie in de IKA-regio. Sterfte afgelopen 25 jaar sterk gestegen Bij mannen is in de periode 1980-2005 de sterfte aan slokdarmkanker meer dan verdubbeld. In dezelfde periode is de sterfte bij vrouwen met 80% toegenomen (zie figuur 3). Vooral in het verleden veranderingen in determinanten In de periode 1988-1998 zijn er geen belangrijke veranderingen geweest in de mate waarin Nederlanders roken of alcohol gebruiken. Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. Ook bij jongeren lijkt het percentage rokers stabiel te zijn. Dat slokdarmkanker nu vaker voorkomt dan voorheen, heeft waarschijnlijk te maken met de ontwikkelingen in het alcohol- en tabakgebruik sinds de jaren zestig. Sindsdien is namelijk zowel bij mannen als vrouwen het alcoholgebruik sterk toegenomen. Bij vrouwen is ook het aantal rokers in de jaren zestig en zeventig gestegen. Onder mannen nam het aantal rokers in die periode echter sterk af. Door de lange latentietijd van slokdarmkanker zijn de gevolgen van ander gedrag pas relatief laat zichtbaar. Toename van slokdarmkanker te verwachten In de toekomst is een verdere stijging van het aantal nieuwe gevallen van slokdarmkanker te verwachten. Er lijkt namelijk een toename te zijn van patiënten met gastro-oesophageale refluxziekte (zuurbranden) (El-Serag & Sonnenberg, 1997). Dit wordt verder ondersteund doordat ook een toename van patienten waarbij Barrett epitheel wordt waargenomen (Van Soest et al., 2005). Deze aandoening is een van de belangrijke risicofactoren voor het adenocarcinoom van de slokdarm. Ook de stijging in overgewicht en de afname van Helicobacter pylori infecties zouden hieraan kunnen bijdragen. Alleen al op basis van demografische ontwikkelingen wordt in de periode 2005-2025 een toename in de incidentie van circa 39% verwacht.

Zuurbranden en overgewicht belangrijke risicofactoren adenocarcinoom Gastro-oesophageale reflux (zuurbranden, refluxziekte) is de belangrijkste risicofactor voor slokdarmkanker van het type adenocarcinoom (Lagergren et al., 1999a, Lagergren et al., 1999b). Er bestaat een dosis-respons relatie tussen de duur en ernst van de refluxklachten (zuurbranden) en het risico op een adenocarcinoom van de slokdarm. De oorzaak van deze relatie is zeer waarschijnlijk te wijten aan de aanwezigheid van Barret-epitheel in de slokdarm bij patiënten met reflux. Overgewicht is een andere belangrijke risicofactor (Kubo & Corley, 2006). Mensen met overgewicht hebben vaker klachten van gastro-oesophageale reflux en dientengevolge ontsteking van de slokdarm (Hampel et al., 2005). Overgewicht zou zo indirect kunnen lijden tot een hogere prevalentie van Barrett epitheel en uiteindelijk adenocarcinoom. Echter, twee studies hebbeen aangetoond dat overgewicht mogelijk ook een onafhankelijke risicofactor is voor het adenocarcinoom van de slokdarm (Lagergren et al., 1999a, Chow et al., 1998a).

Overige factoren zoals groenten en fruit, Helicobacter pylori en NSAID’s (aspirine) In 1997 (WCRF/AICR, 1997) werd een hoge consumptie van groente en fruit op basis van cohortstudies als ‘overtuigend’ beschermend geclassificeerd. Dit beeld lijkt te veranderen door de resultaten uit recente prospectieve studies en meta analyses (Gonzalez et al., 2006, Lunet et al., 2005). Extra risico lijken nu mensen te lopen als gevolg van een zeer lage consumptie van groente. Citrusvruchten beschermen wellicht tegen het adenocarcinoom en cardia maagkanker (Gonzalez et al., 2006). De Helicobacter pylori bacterie is een zuurresistente bacterie die in de maag kan overleven. Deze bacterie is de belangrijkste oorzaak van maagzweren. Echter, er zijn enkele case-control studies die een verband hebben gevonden tussen infectie met deze bacterie en het adenocarcinoom van de slokdarm (Chow et al., 1998b, Wu et al., 2003). Infectie van het maagslijmvlies met deze bacterie kan lijden tot een chronische ontsteking en dientengevolge atrofie van het slijmvlies. Het gevolg is een verminderde zuursecretie van de maag en dus ook minder zure reflux in de slokdarm. Infectie met Helicobacter zou dus een beschermende invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van een adenocarcinoom van de slokdarm. Echter, infectie met deze bacterie is ook geassocieerd met een hoger risico op plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm (Ye et al., 2004). NSAID’s (non-steroidal anti-inflammatoire medicijnen) en/of aspirine hebben een beschermend effect. Een recente meta-analyse laat zien dat aspirine/NSAID’s het risico op slokdarmkanker (plaveiselcel- en adenocarcinoom) ongeveer halveren (Corley et al., 2003). Wellicht dat toediening van aspirine bij patiënten met een hoog risico op slokdarmkanker (zoals een Barrett slokdarm) gunstig is (Hur et al., 2004).

Klachten

Slokdarmkanker veroorzaakt in het begin meestal nog geen klachten. Klachten ontstaan vaak pas wanneer de tumor zich flink heeft uitgebreid. Hierdoor wordt slokdarmkanker bij veel patiënten pas laat ontdekt. Om slokdarmkanker in een vroeg stadium te ontdekken, is het van belang dat zowel patiënten als artsen de klachten en alarmsignalen goed herkennen. Dit is erg belangrijk, omdat de kans op genezing groter is als de tumor in een vroeg stadium wordt opgespoord. Onderstaande klachten kunnen wijzen op slokdarmkanker: Het gevoel dat voedsel niet goed zakt in de slokdarm. Dit worden passageklachten genoemd; Verminderde eetlust; Onverklaarbaar gewichtsverlies; Een pijnlijk en/of vol gevoel in de buurt van het borstbeen; Duizeligheid en vermoeidheid; dit zijn klachten die kunnen ontstaan door bloedarmoede. Bloedarmoede kan ontstaan door langdurig bloedverlies uit de beschadigde slokdarm. Een teerachtige, pikzwarte ontlasting door bloedverlies uit een beschadigde slokdarm. Het braken van bloed Chronische hikklachten Als u last heeft van één of meerdere van deze klachten, is het verstandig om naar de huisarts te gaan. De huisarts zal u door verwijzen voor verder onderzoek. Deze klachten hoeven lang niet altijd op slokdarmkanker te wijzen. Ze kunnen ook veroorzaakt worden door andere aandoeningen van de slokdarm of van de maag. Brandend maagzuur Brandend maagzuur (reflux) is het terugstromen van zure maaginhoud in de slokdarm. Dit is niet een klacht die wijst op slokdarmkanker. Er zijn in Nederland namelijk heel erg veel mensen die (soms) last hebben van brandend maagzuur. Slokdarmkanker is daarentegen een vrij zeldzame ziekte. Toch is wel verstandig dat u naar uw huisarts gaat, als u regelmatig last heeft van brandend maagzuur. De huisarts kan voedingsadviezen en andere tips geven, en eventueel medicijnen voorschrijven. Als brandend maagzuur niet goed behandeld wordt, kan op den duur een slokdarmontsteking ontstaan. .

Welke factoren beïnvloeden de kans op slokdarmkanker?

Overmatig alcoholgebruik, roken en overgewicht belangrijke risicofactoren plaveiselcelcarcinoom De belangrijkste risicofactoren van slokdarmkanker van het type plaveiselcelcarcinoom zijn overmatig alcoholgebruik en roken. Het risico op slokdarmkanker neemt toe met een factor 5 onder gematigde rokers en met een factor 10 voor “ketting rokers” (Blot, 1994). Met name de combinatie van roken en alcohol geeft een sterk verhoogd risico op kanker (Dal Maso et al., 2002). Daarnaast spelen andere factoren een rol, zoals overgewicht en een dieet met een tekort aan vitaminen (B+C+E), beta-caroteen, magnesium en zink. Bestraling in het gebied van de slokdarm (zoals voor de behandeling van borstkanker) geeft een verhoogd risico op plaveiselcelkanker van de slokdarm (Ahsan & Neugut, 1998). Ten slotte zijn er aandoeningen die een verhoogd risico geven op slokdarmkanker zoals achalasie (spastische onderste slokdarmkringspier), vernauwingen van de slokdarm door inname van etsende vloeistoffen. Chronische stase van voedsel en de daaruit volgende ontsteking van de slokdarm is waarschijnlijk de trigger tot nieuwvorming. Hoewel het humaan-papilloma virus (HPV) uit circa 20-70% van de plaveiselcelcarcinomen wereldwijd wordt geisoleerd, lijkt HPV in Nederland geen risicofactor. In een cohort slokdarmkanker patiënten in Nederland is namelijk geen HPV aangetoond (Kok et al., 1997a). Wellicht dat HPV wel een riscofactor is die een rol speelt in gebieden met een hoge incidentie van slokdarmkanker, zoals in China (Farhadi et al., 2005). Genetische factoren en het plaveiselcacinoom Familiaire clustering van het plaveiselcelcarcinooom is beschreven in enkele Chinese families maar bij de overgrote meerderheid van de patiënten is er geen genetische predispositie. Een zeldzame huidaandoening, tylosis (hyperkeratose van handen en voeten), is geassocieerd met het plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm. Een aantal families zijn beschreven waarbij op relatief jonge leeftijd slokdarmkanker ontstaat. Het gen (cytoglobin) ligt op chromosoom 17. Ook bij sporadische (niet-erfelijke) slokdarmkanker lijkt dit gen een rol te spelen (McRonald et al., 2006).

Kwaliteit van leven

Wat is de kwaliteit van leven bij kanker

Belangrijkste beperking is gestoorde voedselpassage De meest voorkomende klacht en tevens beperking is een gestoorde voedselpassage. Patiënten zijn meestal wat ouder en hebben vaak al een minder goede lichamelijke conditie. Hun conditie verslechtert nog meer ten gevolge van de ziekte. Kwaliteit van leven na slokdarmoperatie positief beoordeeld door ander referentiekader In Nederland is de kwaliteit van leven onderzocht (gemeten met de vragenlijst SF-36) bij personen die 2 jaar geleden een slokdarmoperatie hadden ondergaan. Bij hen was een deel van de slokdarm verwijderd vanwege slokdarmkanker. Uit het onderzoek bleek dat er op het gebied van lichamelijk, psychisch en sociaal functioneren geen verschillen waren tussen de onderzoeksgroep en de algemene bevolking (De Boer et al., 2000). Dit kan mogelijk verklaard worden door het fenomeen ‘response-shift’ waarbij een patiënt die genezen is verklaard, geneigd is zijn kwaliteit van leven als beter in te schatten dan iemand die nooit kanker heeft gehad. De patiënt heeft zijn referentiekader van ‘goede’ kwaliteit van leven bijgesteld. Kwaliteit van leven bij kanker in het algemeen Over het algemeen geldt dat het vaststellen van de diagnose ‘kanker’ een groot effect heeft op het hele bestaan van de patiënt. Niet alleen de ziekte zelf maar ook de behandeling van de ziekte heeft vaak ingrijpende gevolgen. Afhankelijk van de soort kanker zullen lichamelijke en psychische problemen zich op verschillende momenten tijdens de ziekte meer of minder voordoen. De invloed van veel aspecten van de ziekte (zoals het stadium) en de behandeling op de kwaliteit van leven zijn voor alle kankerpatiënten min of meer gelijk.

Slokdarmkanker

De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patient Slokdarmkanker: Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling? Diagnostiek De diagnose slokdarmkanker wordt meestal gesteld door middel van een endoscopie met afname van biopten. Dit is het meest gevoelige onderzoek met een lage kans op complicaties. Er bestaat geen indicatie meer voor het verrichten van een barium contrast (passage) foto van de slokdarm voor de diagnose van een slokdarmcarcinoom. Na vaststellen van de diagnose wordt aanvullend onderzoek verricht gericht op het vaststellen van eventuele lokale uitbreiding van de tumor en de aanwezigheid van uitzaaiingen (loco-regionale metastasen). Echo-endoscopie is het onderzoek van keuze voor de bepaling van de loco-regionale uitbreiding van de tumor. De nauwkeurgheid voor het vaststellen van het T-stadium is circa 85% en voor het N-stadium 77%. Echografie van de hals ter detectie van mogelijke lymfekliermetastasen wordt ook verricht. De betrouwbaarheid is echter afhankelijk van de uitvoerende radioloog. Een computed tomography (CT-scan) van de hals, buik en thorax wordt verricht om uitzaaiingen op afstand (onder andere lever, long, perifere lymfeklieren) te detecteren. De positron emissie tomografie (PET-scan) is een andere onderzoeksmethode om uitzaaiingen te detecteren. Het voordeel is dat een afbeelding van het gehele lichaam wordt verkregen. De waarde van de PET-scan bij de diagnostiek van slokdarmkanker is nog onduidelijk en deze methode wordt dan ook nog niet routinematig toegepast (Westerterp et al., 2006). Tabel 1: Overzicht van belangrijke ontwikkelingen in diagnostiek.

Diagnostiek  Huidig gebruik 

Endoscopie en biopten nemen   +, bepalen histologisch type

Echo-endoscopie (de slokdarm van binnenuit onderzoeken m.b.v. geluidsgolven)   +, bepalen diepte ingroei tumor in slokdarmwand

Röntgenfoto/slikfoto   +, maar niet betrouwbaar voor het vaststellen van doorgroei of uitzaaiingen

CT-scan   +, ter uitsluiting metastasen en/of lokale doorgroei

PET-scan   Experimenteel, aantonen/uitsluiten uitzaaiingen (metastasen)

Prognose van slokdarmkanker teleurstellend De prognose van slokdarmkanker is somber en de laatste jaren nauwelijks verbeterd. De 5-jaarsoverleving van patiënten die een in opzet curatieve slokdarmverwijdering ondergaan bedraagt slechts 25-30%. De 5-jaarsoverleving van alle slokdarmkankerpatiënten (inclusief mensen die niet in aanmerking komen voor operatie) is ongeveer 10%. De prognose wordt bepaald door het stadium van de ziekte bij diagnose en de behandeling (zie tabel 1). De stadia worden meestal benoemd volgens de TNM-classificatie van de UICC (UICC, 2002) waarbij de T lokalisatie en grootte van de tumor indiceert, N aangeeft in welke mate lymfeklieren zijn aangedaan en de M indiceert of uitzaaiing (metastase) heeft plaatsgevonden. Screening op voorstadia van slokdarmkanker niet kosteneffectief De enige groep die in aanmerking komt voor screening op slokdarmkanker is de groep patiënten met een Barrett-slokdarm. Bekend is dat patiënten die kanker ontwikkelen in een Barrett slokdarm tijdens screening (in een vroeg stadium) inderdaad een grote kans hebben om te overleven (Van Sandick et al., 1998). Daarnaast is de te screenen doelgroep lastig te identificeren. Het aantal mensen in de bevolking met een Barrett slokdarm (en dus een risico op slokdarmkanker) is namelijk onbekend. Ongeveer 5% van de patiënten met klachten van gastro-oesophageal reflux hebben Barrett epitheel in de slokdarm. Maar het risico op het ontwikkelen van kanker is gering en wordt geschat op 0,5-2% per jaar. De overgrote meerderheid van de Barrett-patiënten overlijdt dan ook niet aan slokdarmkanker. In de literatuur zijn richtlijnen gepubliceerd (Groot-Brittanie en de Verenigde Staten) aangaande de screening van patiënten met een Barrett slokdarm (Sampliner, 2002). Regelmatig endoscopisch onderzoek met afname van biopten van het segment Barrett wordt geadviseerd. De uitslagen van weefselonderzoek door de patholoog bepalen grotendeels de frequentie van het endoscopisch onderzoek (elke 3 maanden, elk jaarlijks of elke 3 jaar). Tabel 1: Stadiumverdeling van slokdarmkanker (Bron: NKR, 2004 & Hamilton & Aaltonen, 2000).

Nauwelijks verbetering van prognose te verwachten Echter, het merendeel van de patiënten met slokdarmkanker presenteert zich, zoals reeds vermeld, met klachten van een gestoorde voedselpassage buiten de screening en dus in een gevorderd stadium. Daardoor staat de kosten-effectiviteit van screening ter discussie en is vooralsnog niet aangetoond. In grote lijnen zal er geen echte verbetering van de prognose optreden. Momenteel wordt getracht om door middel van chemoradiotherapie voorafgaande aan de operatie de prognose en overleving van patiënten met slokdarmkanker die in aanmerking komen voor een curatieve resectie, te verbeteren. De meta-analyses laten een geringe overlevingswinst zien voor de patiënten met voorafgaande chemoradiotherapie. In Nederland loopt momenteel een gerandomiseerd, prospectief multicenter onderzoek hiernaar. Naar boven

Kwaliteit van leven

Belangrijkste beperking is gestoorde voedselpassage De meest voorkomende klacht en tevens beperking is een gestoorde voedselpassage. Patiënten zijn meestal wat ouder en hebben vaak al een minder goede lichamelijke conditie. Hun conditie verslechtert nog meer ten gevolge van de ziekte. Kwaliteit van leven na slokdarmoperatie positief beoordeeld door ander referentiekader In Nederland is de kwaliteit van leven onderzocht (gemeten met de vragenlijst SF-36) bij personen die 2 jaar geleden een slokdarmoperatie hadden ondergaan. Bij hen was een deel van de slokdarm verwijderd vanwege slokdarmkanker. Uit het onderzoek bleek dat er op het gebied van lichamelijk, psychisch en sociaal functioneren geen verschillen waren tussen de onderzoeksgroep en de algemene bevolking (De Boer et al., 2000). Dit kan mogelijk verklaard worden door het fenomeen ‘response-shift’ waarbij een patiënt die genezen is verklaard, geneigd is zijn kwaliteit van leven als beter in te schatten dan iemand die nooit kanker heeft gehad. De patiënt heeft zijn referentiekader van ‘goede’ kwaliteit van leven bijgesteld. Kwaliteit van leven bij kanker in het algemeen Over het algemeen geldt dat het vaststellen van de diagnose ‘kanker’ een groot effect heeft op het hele bestaan van de patiënt. Niet alleen de ziekte zelf maar ook de behandeling van de ziekte heeft vaak ingrijpende gevolgen. Afhankelijk van de soort kanker zullen lichamelijke en psychische problemen zich op verschillende momenten tijdens de ziekte meer of minder voordoen. De invloed van veel aspecten van de ziekte (zoals het stadium) en de behandeling op de kwaliteit van leven zijn voor alle kankerpatiënten min of meer gelijk.

 

Het maag-darmstelsel bij de mens. 1=slokdarm, 2=maag, 3=dunne darm, 4=appendix, 5=Blindedarm, 6=dikke darm, 7=endeldarm, 8=anus

De slokdarm of oesofagus is een onderdeel van het spijsverteringsstelsel. Alle zoogdieren en veel andere dieren hebben een slokdarm. De slokdarm is dat gedeelte van het maag-darmkanaal tussen de mond of bek en de maag.   De slokdarm is ongeveer 30 centimeter lang, heeft een gemiddelde diameter van 2 centimeter en begint aan de bovenkant in de farynx of keelholte om te eindigen aan de andere kant bij de maag. Er zijn vier vernauwingen in de slokdarm. De eerste, de bovenste slokdarmsluitspier, ligt op 15 centimeter van de tandenrij. De tweede en derde vernauwingen worden ontstaan bij het passeren van respectievelijk de linker bronchustak en de aorta. De vierde vernauwing ligt net boven de overgang van de slokdarm in de maag, op het niveau van het middenrif en wordt de onderste slokdarmsluitspier genoemd. De belangrijkste functie van de onderste slokdarmsluitspier is het afsluiten van de onderkant van de slokdarm, zodat het terugstromen van maaginhoud naar de slokdarm (reflux) voorkomen wordt.   De slokdarm zelf is bekleed met meerlagig niet-verhoornend plaveiselepitheel. De overgang van slokdarm naar de maag wordt gemarkeerd door een verschil in type epitheelcel en wordt de oesophagogastric junction of Z-line genoemd.   Twee spierlagen zorgen voor de peristaltiek van de slokdarm: een binnenste laag (circulair lopend) en een buitenste laag (van boven naar beneden lopend). In het bovenste een derde deel van de slokdarm bestaan deze buitenste spieren uit dwarsgestreepte spieren en in het onderste deel uit gladde spiercellen.

Esophageal Cancer   Definition

Esophageal cancer is a cancerous (malignant) tumor of the esophagus, the muscular tube that moves food from the mouth to the stomach.

Alternative Name  Cancer – esophagus

Causes, incidence, and risk factors

Esophageal cancer is relatively uncommon in the United States. It occurs most often in men over 50 years old. Two main types of esophageal cancer exist: squamous cell carcinoma and adenocarcinoma. These two types look different from each other under the microscope.

Squamous cell esophageal cancer is associated with smoking and alcohol consumption.

Barrett’s esophagus, a complication of gastroesophageal reflux disease (GERD), significantly increases the risk for adenocarcinoma of the esophagus. Other risk factors for adenocarcinoma of the esophagus include:

Alcohol use

Male gender

Obesity

Poor nutrition

Smoking

Symptoms

Backwards movement of food through the esophagus and possibly mouth (regurgitation)

Chest pain unrelated to eating

Difficulty swallowing solids or liquids

Heartburn

Vomiting blood

Weight loss Signs and tests

Tests used to help diagnose esophageal cancer may include:

Barium swallow

Esophagogastroduodenoscopy (EGD) and biopsy

Chest MRI or thoracic CT (usually used to help determine the stage of the disease)

PET scan (sometimes useful for determining the stage of disease, and whether surgery is possible)

Endoscopic ultrasound (also sometimes used to determine the stage of disease)

Stool testing may show small amounts of (occult) blood in the stool.

Treatment

When esophageal cancer is only in the esophagus and has not spread, surgery is the treatment of choice. The goal of surgery is to remove the cancer.

See:

Esophagectomy

Esophagectomy – minimally invasive

Sometimes chemotherapy, radiation, or a combination of the two may be used instead of surgery, or to make surgery easier to perform.

If the patient cannot tolerate surgery or the cancer has spread to other organs, chemotherapy or radiation may be used to help reduce symptoms. This is called palliative therapy. In such cases, the disease is usually not curable.

Other treatments that may be used to improve a patient’s ability to swallow include endoscopic dilation of the esophagus (sometimes with placement of a stent to keep the esophagus dilated), or photodynamic therapy. In photodynamic therapy, a special drug is injected into the tumor, which is then exposed to light. The light activates the medicine that attacks the tumor. Support Groups

Patients can often ease the stress of illness by joining a support group of people who share common experiences and problems. See cancer – support group.

Expectations (prognosis)

Esophageal cancer is a very difficult disease to cure. When the cancer has not spread outside the esophagus, surgery may improve chances of survival.

Radiation therapy is used instead of surgery in some cases where the cancer has not spread outside the esophagus.

For patients whose cancer has spread, cure is generally not possible and treatment is directed toward relieving symptoms. Complications

Difficulty swallowing

Pneumonia

Severe weight loss resulting from not eating enough

Spread of the tumor to other areas of the body Calling your health care provider

Call your health care provider if you have difficulty swallowing with no known cause and it does not get better, or if you have other symptoms of esophageal cancer.

Prevention

The following may help reduce your risk of squamous cell cancer of the esophagus:

Avoid smoking

Limit or eliminate alcoholic drinks

People with symptoms of severe gastroesophageal reflux should seek medical attention.

Screening with EGD and biopsy in people with Barrett’s esophagus may lead to early detection and improved survival. People who are diagnosed with Barrett’s esophagus should be checked regularly for esophageal cancer.

References

Orlando RC. Diseases of the esophagus. In: Goldman L, Ausiello D, eds. Cecil Medicine. 23rd ed. Philadelphia, Pa: Saunders Elsevier;2007:chap 140.

National Cancer Institute. Esophageal Cancer Treatment PDQ. Updated July 2, 2009.

Esophageal Cancer. NCCN Clinical Practice Guidelines in Oncology. National Comprehensive Cancer Network, Inc. 2009. Accessed October 17, 2009.

5 gedachten over “Slokdarm

  1. Pingback: Wat is slokdarmkanker? | Hulp en informatie voor kankerpatiënten

  2. Pingback: Slokdarm stase | Meyerswoodwork

  3. Ik wil graag opmerken dat ik dit een zeer uitgebreide en goed informatieve pagina vind. Bij mij is vorig jaar (juni 2014) slokdarmkanker geconstateerd. Ik was toen 48 jaar, in goede conditie en ik heb nooit gerookt of overmatig drank gebruikt. Ik ben luchtverkeersleider. Ik zeg met opzet ‘ben’ want zes maanden na de operatie ben ik weer volledig operationeel inzetbaar. Ik moest vanwege de tijd dat ik ziek thuis was geweest (langer dan zes maanden) wel weer opnieuw in opleiding. In augustus heb ik chemoradiotherapie ondergaan, bij de operatie zijn 21 lymfeklieren verwijderd en daarna zijn in deze lymfeklieren en snijvlakken van de slokdarm geen uitzaaiingen gevonden door de patholoog. De patholoog heeft mijn tumor gekwalificeerd als yp T3 N0, wat voor mij natuurlijk een grote gerustelling was.

    Ik wil wel zeggen dat ik van mening ben dat de mentale instelling volgens mij een zeer belangrijke factor in het hele herstel is. Ik ben snel weer aan het sporten gegaan, eerst wandelen en zwemmen, en nu ben ik al weer aan het zaalvoetballen. Toch heb ook ik nog steeds wel eens mindere periodes, en ben soms snel vermoeid, maar over het algemeen gaat het allemaal heel voorspoedig. Ik wil hiermee aangeven dat een sterke geest, en natuurlijk de grote steun van mijn vrouw, familie en vrienden een goed herstel bespoedigen. En dat laatste kom ik eerlijk gezegd veel te weinig tegen op de diverse websites. Misschien dat hier eens wat meer aandacht aan besteed zou kunnen worden?

  4. Wat ik mis is datering van het stuk. Hoe gedateerd is het? Kloppen de percentages nog wel?
    Wat ik ook mis bij de alarmsignalen is: slokdarm-spasmen, krampen tijdens de maaltijd. Dat was mijn enige klacht, 15 jaar geleden. Als ik dan even diep ademhaalde, ontspande de slokdarm weer en kon ik verder met eten. Alleen nam de frequentie toe van de verkramping, dat baarde zorgen. Ik weet van meer mensen die deze klacht hadden, maar vind die nergens terug als alarmsignaal. Dat betreur ik. Ondanks de aanvankelijk geringe klachten, had ik een grote tumor, hoog in de slokdarm. Gelukkig bleken mijn lymfeklieren schoon.

    Ik heb nooit aan sport gedaan. Dat past niet bij mij. Ik heb mij wel meteen aangesloten bij de patiëntenorganisatie SPKS. Sindsdien ondersteun en informeer ik lotgenoten en maak deel uit van de Richtlijncommissie namens SPKS. Dat was mijn manier om met die moeilijke periode iets positiefs te doen. Dat geeft veel voldoening. Ik waarschuw lotgenoten voor de effecten van een vitamine B12-tekort, waar nog te weinig op wordt gelet. Gebrek aan energie en depressie zijn twee klachten die daarmee samen kunnen hangen. Er zijn ziekenhuizen die elke geopereerde buismaagpatiënt B12-injecties voorschrijven, te geven door de huisarts, om mogelijke problemen te voorkomen. Het kan geen kwaad.

    Mijn ervaring is dat de naasten het vaak nog moeilijker hebben dan de patiënt zelf.

    Ik vond het vreemd dat toen ik nog niet geopereerd was en mij nog prima voelde, iedereen meeleefde, maar zodra de kanker weg was, men mij feliciteerde. Toen kwamen voor mij pas de problemen. Veel medeleven heb ik toen niet gehad. De kanker was immers weg? Ja, ja, dat wel, maar….

    • Mensen zijn bang, en kanker weg ??? Dat is altijd de vraag. tijd zal het leren. En wezenlijk is daar niets aan te doen dan zo gezond mogelijk te leven.
      Heel vaak komen signalen te laat omdat er ook vaak een andere oorzaak kan zijn. Hoewel in dit geval feitelijk wel duidde dat er iets meer aan de hand was.

      We wensen u veel sterkte toe.

      Team
      Stichting help bij kanker.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *